NGA Early Golf Webmuseum


Kolf, colf en malie in de achttiende eeuw

Over de oorzaken van de verandering van het colfspel, dat op de lange baan gespeeld werd, naar het kolfspel, dat op de korte baan gespeeld werd, valt niets meer met zekerheid te zeggen.

Zo stelt Jacques Temmerman in zijn boek Golf & Kolf, zeven eeuwen geschiedenis, dat op de vele ijsgezichten met colvers uit de zeventiende eeuw al veel korte spelen, dat wil zeggen met paaltjes, zijn afgebeeld. Maar, zo stelt hij, dat kan verscheidene oorzaken hebben:
• Men kan aannemen dat de schilders zich wat artistieke vrijheden veroorloofden bij het uitwerken van de composities. En zelfs als dit niet geheel met de werkelijkheid strookte, konden zij de mening zijn toegedaan dat het nodig was om de figuurtjes dicht opeengepakt af te beelden.
• Ook is mogelijk dat het ijscolf inderdaad (vaak) op een beperkt oppervlak werd beoefend, waarbij de beschikbare ruimte met een groot aantal medegebruikers van de ijsvlakte werd gedeeld. In dit geval is het aannemelijk dat een speler de bal niet hard en ver kon wegslaan.
• Op een aantal schilderijen zijn ‘paaltjes’ te zien waar naar toe wordt gespeeld. Omdat deze paaltjes op grotere afstand niet of moeilijk zichtbaar zouden zijn, betekent dit waarschijnlijk dat het ijscolf al (vaak) een kort spel was.

Cees van Woerden wijst in zijn boek 'Kolven, het plaisir om sig in dezelve te diverteren' op de relatie tussen het maliespel en het kolfspel en voegt bovendien een argument toe voor de ontwikkeling van het kolven op het land. Het is aannemelijk dat uitbaters van drinkgelegenheden en uitspanningen belang hadden om de spelers dichtbij de tap te houden en op eigen erf een kolfbaan beschikbaar stelde waarvan de spelers niet zouden weglopen. Zij stelden ter stimulering ook geregeld fraaie prijzen beschikbaar, hetgeen zelfs tot zogeheten 'prijskolvers' leidde. De Amsterdamse oesterkoopman en kruier Appie Richter uit de Kalverstraat was een bekend meester.

Hoe het ook zij, in de achttiende eeuw wordt de ontwikkeling van colf naar kolf een feit, maar colf en kolf hebben waarschijnlijk geruime tijd naast elkaar bestaan. Achteraf zijn geen duidelijke grenzen meer te trekken tussen het lange colf en het korte kolf.

Op afbeeldingen komt de 'echte' kolfbaan pas na 1700 voor. Uit een vergunning afgegeven in Goes, waarvoor jaarlijks '2 ponden Vlaamsch en 10 schellingen ten profijte van de Armen' (= ca. € 6,75) moest worden betaald, valt op te maken dat daar al sinds 1595 een baan bestond.

Het kolfspel

In de Nederlanden werd in het begin van de achttiende eeuw naast malie het kolfspel erg geliefd. Het korte spel werd op een kolfbaan, als het ware een verkleinde maliebaan, gespeeld.
De banen waren ongeveer 24 tot 30 meter lang en circa 5 meter breed. Zij waren rondom begrensd door houten schotten, die in de loop van de jaren steeds lager werden en die net als bij het maliespel 'rabat' heetten.

Veel banen waren echter kleiner en dat maakte voor het spel zelf ook weinig uit. Dit kortere spel was vanzelfsprekend van invloed op het te gebruiken spelmateriaal. Op de oudste afbeeldingen waren de kolfspelers nog in de weer met hun kleinere ballen en lichte stokken van het eerdere colfspel.

Als doelen werden, net als bij het maliespel, twee palen gebruikt die in de lengteas van de baan werden geplaatst, op enige afstand van de kopse rabatten. Deze palen werden aanvankelijk loodrecht en later enigszins schuin, naar het midden overhellend, geplaatst en heten ook wel 'de stukken'. Er was geen middenpoort meer, zoals op de maliebaan. De bal bleef aan de grond en daarom konden de kantschotten laag zijn.

In tegenstelling tot de huidige spelregels (met scorestrepen op de vloer) is tot 1882 gespeeld met het zogenoemde 'streepjeskolven'. De regels voor het streepjeskolven waren overal verschillend, maar in het kort komt het er op neer dat diegene wiens bal bij de laatste klap het verste komt die slag heeft gewonnen en een streepje krijgt. De kolver die het eerst vier streepjes heeft is winnaar van de partij. Ook deed men wel dat de verliezer een streepje kreeg en bij vier streepjes was men verliezer van het partij en moest meestal het gelag betalen.
De kolfvereniging in Opmeer heet “De Vier Enen “ , naar de vier streepjes. Voor de invoering van de puntentelling in 1882 stonden er geen strepen op de baan, als niet te zien was welke bal het verst gekomen was mat men dat na met een touw vanaf de paal. Om die reden zijn de strepen van de eerste 6 vakken in de baan van het St.Eloyen Gasthuis bogen. Nu hebben alle andere banen rechte lijnen.

Het grote verschil met andere balspelen uit die tijd was dat bij kolf de palen geen doel op zich zijn, maar evenals de rabatten deel uitmaken van het spel. Men moest niet lukraak slaan (Mnl. luckeraec = op goed geluk) en vooral niet 'de paal lelijk misslaan'. De paal moest worden geraakt en er kan, zoals bij het jongere biljarten, via de band worden gespeeld. Dit heet bij het kolfspel het 'rabatteren'.

Het kolfmateriaal

Bij het kolfspel kwam het er op de korte baan niet op aan om de bal zo ver mogelijk te krijgen, maar ging het vooral om het juiste richten. Zwaarder materiaal is daarvoor beter geschikt. Al spoedig werden dan ook de oude colfattributen vervangen. De ballen bij het kolfspel werden groter en de klieken zwaarder. Mogelijk heeft men domweg ervaren dat het precisiespel met de kliek van de ijscolf beter ging. Een speler had een eigen kliek nodig om zijn veerkrachtige bal te 'klappen', niet echt slaan zoals bij colf, maar eigenlijk meer voortschuiven.

De kiek had een brede en korte steel, met onderaan een metalen slof, ook wel kolf geheten, die met de steel een stompe hoek vormde en beschreven werd als 'ongeveer een palm lang bij ruim een vierde breedte' (Lat. palma = uitgespreide hand). In de vaak holle kolf werd lood en later ook wel hars gegoten. De jongere meer luxe kliek had een in messing uitgevoerde kolf.
Bij de wedstrijden die de herbergiers uitschreven, was soms een prijskliek met zilveren kolf te winnen. Een bekende meester in dit zogeheten prijskolven was Appie Richter, kruier en oesterverkoper in de Kalverstraat te Amsterdam.

De ballen waren oorspronkelijk met haar gevuld (vergl. kaatsballen), maar na 1600 ook wel met kluwen sajet en opgebouwd ongeveer als een tennisbal, met zeer fijn koperdraad ineen gewerkt en met leer of zijde overtrokken. Het koperdraad bleek het beste bestand tegen nattigheid, maar met de tijd verdween bij het kolf op veelal overdekte banen die noodzaak. Later werd ook de buitenkant met sajet beplakt. (Sajet is tot garen gesponnen wol, meestal gekaard, maar niet gekamd. De draad is daardoor minder vast en glad.)

De kolfbaan

Van lieverlede werden aan de kolfbanen hogere eisen gesteld. Niet alleen om er beter op te kunnen kolven, maar ook het comfort van de spelers en toeschouwers vroeg en kreeg meer aandacht. Steeds vaker werden de banen als een half open loods overdekt, of kwamen geheel binnenshuis te liggen. De lemen of houten vloer werd op de duur verdrongen door cement.

Vanzelfsprekend waren de herbergiers er snel bij om een kolfbaan bij hun herberg aan te leggen. De spelers bleven zo immers weer dicht bij hun lokaal.
Het aantal kolfbanen was imponerend. In een anonieme 'Verhandeling over de oorsprong van het kolven', te Amsterdam in 1769 verschenen en in 1792 herdrukt, onder het motto 'Concorde nous guide' (= Ons leidt eendrachtigheid, vergl. Eendracht maakt macht) werden in Amsterdam 50 gelegenheden met 76 kolfbanen opgesomd en nog eens 136 banen buiten de poorten. Het kleine Buiksloot had er maar liefst zes. Leiden telde er 46, waarvaner zeker 10 overdekt waren en Rotterdam bezat 53 banen, alle overdekt. Utrecht had binnen en buiten de singels 21 banen, waarvan 10 overdekt. Van deze Utrechtse banen bestaan er nog twee: de ook oorspronkelijk overdekte kolfbaan van het St. Eloyen Gasthuis (sinds 1644, maar in 1883 herbouwd; zie de afbeelding hiernaast) en de baan uit zeker 1792 die in 1989 bji toeval werd ontdekt en ooit toebehoorde aan herberg 'de drie Dorstige Harten'. Deze laatste kolfbaan werd met steun van de gemeente Utrecht herbouwd in 'Het Vechthuis' aan de Jagerskade, maar wordt niet meer bespeeld.

Beschikbare kolfbanen

Thans wordt door Dirk Spijker gewerkt aan een overzicht van plaatsen in Nederland waar ooit gekolfd is. De teller staat nu op 254 plaatsen verdeeld over de volgende provincies:
- Groningen - 1
- Friesland - 21
- Drente - 1
- Overijssel - 1
- Gelderland - 6
- Utrecht - 24
- Noord-Holland - 116
- Zuid-Holland - 65
- Zeeland - 8
- Noord-Brabant - 9
- Limburg - 1
Deze plaatsen telden 868 kolfbanen (...!). Duidelijk wordt hierbij wel dat de populariteit van kolven zich met name concentreerde in de westelijke helft van Nederland, met een duidelijk zwaartepunt in Noord-Holland.

Omdat met zekerheid ook gekolfd werd in Batavia, Londen, Kaapstad en op twee banen in Suriname eindigen we met een totaal van 259 plaatsen met 873 kolfbanen.

Het boekje 'Verhandeling over de oorsprong van het kolven' dat in 1792 verscheen bevat een beperkte opsomming:

Amsterdam
binnen de Poorten - 77, waarvan 17 overdekt
buiten de Poorten - 136, waarvan 36 overdekt
Utrecht
binnen - 10, waarvan 6 overdekt *
buiten - 11, waarvan 4 overdekt
Rotterdam - 53, alle overdekt
’s Hage
binnen - 9, waarvan 6 overdekt
buiten - 16, waarvan 15 overdekt
Leyden
binnen - 30, waarvan 11 overdekt
buiten - 16, waarvan 12 overdekt
Haarlem
binnen - 5
buiten - 7, waarvan 1 overdekt
Weesp - 6, waarvan 5 overdekt
Montfoort - 5
Buiksloot - 6
Nieuwendam - 4, waarvan 2 overdekt
Schellingwoude - 2, waarvan 1 overdekt
In de Ryp - 1, overdekt

Totaal - 394, waarvan 170 overdekt

* Waaronder de thans nog bestaande baan van het St. Eloyen Gasthuis en de bij het Vechthuis herbouwde baan van de Drie Dorstige Harten uit de Dorstige Hartsteeg (zie galerij 1885-heden onder Foto's)

Bron:
Verhandeling over de oorsprong van het kolven. In 1792 als Tweede Verbeterde Druk uitgegeven te Amsterdam door Jan en Gerbrand Roos, ‘boekverkoopers’ te Amsterdam.
Duidelijk is wel dat deze opsomming vooral is georiënteerd op Amsterdam en directe omgeving, met daarnaast een opsomming van kolfbanen in enkele andere steden. Deze opsomming is dus verre van volledig.

Andere familieleden en aangetrouwd

Behalve het kolven en het maliespel werden nog vele andere bal- en stokspelen beoefend:
• Beugelen ('kolf door den beugel')
• Jeu de crosse (ook wel Chole of Choule genoemd)
• Colf
• Croquet
• Golf
• Kaatsen
• IJscolf

Meer informatie over deze balspelen vindt u op http://nl.wikipedia.org/wiki/Hoofdpagina.

Kolfidioom in de achttiende eeuw

Uit ‘Verhandeling over de oorsprong van het Kolven’ uit 1792:

Register der Spreekwoorden, die men gebruikt onder het Kolven, met de Fransche vertaling daar by gevoegt.

Aan, Touché.
De bal is aan, of Hy is aan - la Bale à Touché, ou il à Touché.
Hy heeft het aan - Perdu, il à perdu.
Aftrek (op den) Spelen - Jouer la Bale au But, pour la renvoyer si loin possible, ou le Trait du Pilier.
Trekbal - Bale de Trait, ou chasse Bale.
Trekken - Tirer ou faire Repousser la Bale, par le Contrecoup du Pilier.
De Baan - Le Jeu.
Kolfbaan - Jeu de Crosse.
Dat is voor de Baan. Een teken dat men met de Bal geeft om te speelen - Le signal avec la Bale, qu’on veue jouer, c’est pour le Jeu.
Baas - Maitre.
Een baas in ‘t Kolven - Un Maitre Crosseur ou Habile.
Bal - Bale.
Sayette Bal - Bale de Laine.
Den Bal slaan - Pousser la Bale, Crosser.
Den Bal wel slaan - Pousser bien la Bale.
Een Bal wel Oordeelen - Bien juger la Bale.
Houd geen Ballen - n’arreté Point la Bale.
Geef myn Bal wederom - Renvoyé ma Bale.
Uw Bal is aan - Votre Bale à Touché ou vous avez Touché.
Beurt - Tour.
Myn beurt om te slaan, te speelen - c’est mon Tour ou c’est à moy à jouer.
’t Is uw beurt - c’est à vous à Jouer.
Wie zyn beurt is het - A qui est ce à jouer ?
Ieder zyn Beurt - Chacun son Tour.
By Beurten - Tou à Tour.
Boompje, Teken van een halve vles wyn aan, op de Ley - Arbrisseau, ou la Marque qu’on à Perdu demi Bouteille.
Booter, dat is om de Botter - Jouer au dernier point pour l’Ecot.
Boven of daar men begint uit te slaan - le haut ou le But ou l’on commence le jeu.
Den bal boven brengen - Renvoyer ou Pousser la Bale au haut du jeu.
Daar is niets op, dat is : Geen hoop om te winnen - Pas moyen ou Esperance de Gagner.
Dat is fyn - Voila qui est Adroit on Habile.
Dat zyn Handen, wort gezegt wanneer men een nette of mooije slag doet - cela font des Mains Habiles, ou Adroites
Einde, of ’t End van de Baan. Ook Beneden, doch word weinig gezegt - le Bout, le Bas ou la Fin du jeu.
Den Bal ten einde de Baan brengen - Renvoyer ou chasser la Bale au bout du jeu.
Foey ! Foey - Fy. Als men een digte misslag doet.
Fyn aan - Touché legèrement ou Rasibus.
Fyntjes Kolven - Crosser tres Adroitement.
Geerten, is Fors uitslaan om het Stuk met den eersten uitslag te raaken - Pousser la Bale avec force pour toucher le But d’un Bout à l’autre du premier coup, on dit aussi Guérte.
Gelag - Ecot.
In een Gelag spelen - jouer en Compagnie à quatre ou cinq, pour l’Ecot.
Gewonnen - Gagné.
Harde Party - Forte Partie.
Een Harde Party gewonnen - Gagné Forte Partie.
Katje Frik, word gezegt, wanneer men wind zonder dat den anderen een eenig Streepje uitdoet - Tout à Point.
Klap, dat is een Klap word gezegt wanneer men raakt - Un coup loin à pousser & qu’on touche Hardiment.
Een frisse Klap - Un coup Hardi.
Kolf - Crosse.
Kolven - Crosser.
Een kolver - Un Crosseur.
Een baas in het kolven - Un Crosseur, Un Maitre Crosseur.
Kolf aan ’t Stuk, Gy blyft staan - Touche avec la Crosse au Pulier c’est Perdu un Point.
Een Kruk - un Mazette.
Kwaatdoener, word gezegd, wanneer een Bal door een ander weg geslagen is van een goede plaats - Oh ! il faut qu’il fasse toujours du Mal.
Laatje dat leggen! - Atrabez vous cela ainsi.
Land - Terrain.
Daar is nog Land agter, word gezegt van een Bal die ver getrokken is, dat men hoop heeft of kans ziet om nog verder te trekken - Il y a encore du Terrain pour pousser la Bale outre l’autre.
Geen land agter - Point du Terrain.
Maaters - Camerades du jeu, ou Compagnons.
Mikken - Vifer-.
Mis - Manqué.
Hij is Mis - Il à Manqué, pas Touché.
De Nader, Die het laast slaan moet - Le Dernier a jouer.
Wanneer ‘er Franschen in een Baan zijn, dan zeggen zij le Nader.
Ik heb de Nadert - j’ai le Nader.
Opstuiten - Jetter la Bale au Bond.
Alon Opstuiters - Alon à ceux qui doivent jouer.
Op zyn Oude Luidjes, dat is : bedaard en zonder wind te maaken kolven - Jouer comme les Vielles Gens. Moderé.
Overkolven met zyn beyde, dat is: wie een Vles Wyn of niets zal betaalen - Jouer a deux au dernier jeu à qui payera Bouteille ou rien du tout.
Paal - Le Pilier, ou le But.
Party, of verloren - Partie ou Perdu.
Ploeg - Conjoints. Men zegt ook Plouque.
Raak - Touche.
Dat is Raak - cela est Touché comme il faut.
Raapje dat op? word gezegt, wanneer men een goede klap doet - Eh ! comme vous y allez, touchez vous ainsi.
Rabat - Costieres ou le Rabat du Jeu.
Rabatteeren is wederom kaatsing der Bal van het Rabat - Jouer la Bale contre les Costieres, Jouer au Rabat.
Staan, blyven staan, is : men Schryft op de Ley de Namen van die geenen die Kolven, en vier of vyf Streepjes ‘er by. Wanneer men dan een Streepje wind, word ‘er een uitgedaan, en die verliest blyft het Streepje staan, hier is het woord van oorsprongkelyk, nu dog tegenwoordig onthoud ieder maar zoo veelmaal als hy blyft staan, en word niet meer zoo netto geschreven als alleen wanneer men de party verliest - Rester Perdu un Point.
Gy blyf staan - Vous Restié.
Streepje, Point ou Marque.
Vier Streepjes uit om een Quartje - Jouera 4 Points pour un Quart de Bouteille.
Merk van een Quartie aan, of verloren op de Ley - Kaye ou Marque qu’on a Perdu Quart de Bouteille sur L’Ardoise.
Schot - Cloison.
Tegen ‘t Schot speelen - Jouer contre la Cloison.
Stuk - Pilier ou le But.
Kolf aan ‘t Stuk is kwyt - Touché avec la Crosse contre le Pilier, Perdu un Point.
Trekken, zie Aftrek.
Uit - Fini.
Vyf streepjes uit om een halve Vles - Jouer a cinq Points pour une demi Bouteille.
Uitwinder - Avantage.
Het is myn uitwinder - C’est mon coup d’Avantage de Gain.
Verloren - Perdu.
’t Was wel gezogt, word gezegt wanneer men een Bal fyn op zy van ’t Stuk moet raken, en dat dezelve even mis is - Bien Visé, mais pas Touché.
Wie heeft het Aan - Qui est ce qui a Perdu.
Winst - Gain, Avantage, Profit.
Dat is myn Winst, word gezegt wanneer men een Bal slaat die door een Uitwinder tot aan het Stuk bovengebragt is, en dus dat Streepje gewonnen - Cela est mon Gain ou Coup d’Avantage.

Daar wy dan nu zo kort ons mogelyk waar de oorsprong van het Kolven hebben nagespoord, en de oudheid van het zelve aangewezen, als mede u onderrigt hebben niet alleen om dit spel te leeren spelen, maar zelf zodanig dat het als een nuttige lichaamsoefening kan beschouwd worden, hebben wy ook aan gewezen de spreekwoorden welke men gemeenelyk onder het speelen gebruikt, met een vertaling daar van in de Fransche Taal, om wanneer men met Fransche Lieden speelden, ten minste zoude konnen weeten, wat zy eingentlyk met deze en geene woorden bedoelden.

Interessant:
Vergelijk de achttiende eeuwse uitdrukkingen met het kolfidioom in de twintigste eeuw.

Kolf in de negentiende eeuw

Dat het kolfspel ooit algemeen zeer geliefd was, blijkt uit de vele gezegden en de zelfs nu nog gangbare uitdrukking 'Dat is een kolfje naar mijn hand'. Het woord 'kolfje' is daarbij bepaald een understatement. In de loop van de negentiende eeuw verloor men echter geleidelijk de belangstelling voor het kolfspel. De introductie van de rubberen of gummibal, rond 1840, heeft die achteruitgang niet gestopt. Geen wonder overigens, want deze ballen lopen volgens zeggen pas na 100 jaar echt op hun best. In 1844 schreef men zelfs: 'Spoedig zal het kolven geheel in onbruik zijn en men zal zich met verwondering afvragen, hoe de mensen toch wild werden van dit zware kolven'.

De oorzaken van de teloorgang worden toegedicht aan onder andere de toename van gok- en drinkaktiviteiten, kritische artikelen in De Denker (tot 1774) en de publicaties van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen en de teruggang van de economie door de aanwezigheid van de Fransen.

In 1878 verdween de laatste kolfbaan uit Amsterdam, toen de tuin van 'Van Solt' in de Plantage plaats maakte voor café Bellevue. Een bedreiging voor het kolfspel was onder meer het modieuzere, uit Frankrijk overgewaaide, biljarten. Op een kolfbaan kon een uitbater immers verscheidene biljarts kwijt. Het is verleidelijk om de lijn in de ontwikkeling naar steeds intensiever ruimtegebruik in horecagelegenheden door te trekken naar het vermaak van heden, de spel- en gokautomaat. Waar vindt men vandaag de dag nog een cafébiljart? Ook de verbouw tot dans-, toneel- en filmzaal bracht meer omzet dan het kolfspel, dat dan ook langzaam maar zeker van het toneel verdween.

Spelregels en gedragsregels in de negentiende eeuw

Het spelen om punten, zoals wij dat tegenwoordig doen, is in 1882 te Gouda ontstaan. Voor deze tijd, en buiten Gouda zeker ook na deze tijd, werd er veelal 'om streepjes' gekolfd. Dit gebeurde op twee verschillende manieren:
1. De speler wiens (wier) bal bij de puntenklap het verst in het speelveld kwam kreeg een streepje achter zijn naam, bijvoorbeeld op een lei. De speler die het eerst vijf streepjes had verzameld was winnaar. Dit was de meest gebruikte vorm van puntentelling.
2. Maar het kwam ook voor dat de speler die het minst ver was geëindigd een streepje kreeg. In dit geval was de speler die het eerst vijf streepjes had verworven de verliezer van de partij.

Er zijn nog circa tien oude reglementen bekend, onder andere van Amsterdamse Collegiën uit 1799 en 1805 (uit het archief van M.D. Kalker), maar de betekenis van deze reglementen is nog deels onbegrepen. De komende tijd zal hier verder onderzoek naar worden gedaan door Dirk Spijker.

Jeugdherinnering negentiende eeuw

In een onbekende krant uit ca 1938 lezen wij het volgende verslag met kolfherinneringen uit de negentiende eeuw.

HET NEDERLANDSCHE KOLVEN
Met als einddoel: de kachel in een herberg

Onlangs was er in de sportrubriek sprake van het oude Nederlandsche kolfspel. Er werd daarbij twijfel uitgesproken aangaande de bewering, dat bij dit spel een herberg of gelagkamer het einddoel zou zijn geweest. Het is waarschijnlijk voor vele lezers interessant te vernemen, wat te dien opzichte door twee oude Katwijksche visschers, in de veertiger jaren van de vorige eeus geboren, uit hun jeugdherinnering is medegedeeld.
(...)

In Katwijk noemt men het kolfsklooten en skiet(k)looten (de k is na de t uitgevallen, en ook de visschersterm 'skietloote' werkt hier mee). Reeds Le Francq van Berkley in zijn Natuurlijke Hostorie zegt: 'Dit spel... is bovenal in gebruik bij onze strandbewoners. Men noemt het aldaar Schietklooten.'.

De Katwijkers beoefenden het in het begin van den winter, wanneer aan het einde van het haringvangstseizoen de bomschuiten op de duinen stonden en de visschers 'met behouden teelt' vrijwel vacantie hadden. Het eigenlijke kolven deed men op het strand; de 'kloot' werd over een bepaalden afstand geslagen, winnaar was hij die voor doen afstand de minste 'klappen' nodig had. Maar wanneer de hartstocht voor het spel was ontbrand, werd het gestelde baantje verlaten en rende men langs het strand naar Noordwijk, van daar 'binnen door' via Noordwijk- en Katwijk-Binnen naar Katwijk aan Zee terug. Op afstanden geplaatste steenen of de boomen op palen langs den weg waren de 'doelpunten', waarlangs zich de zwoegende en rennende 'ploegen' gewogen en bij dit 'skietklooten' was inderdaad de kachel in de kamer van een herberg het einddoel.

Ik laat hier nu volgen wat de twee 'ouden' te zeggen hadden over het kolven en over het ommegaande schieten. Den Katwijkschen klankvorm zal ik hierbij moeten vereenvoudigen; de woordkeus en zinsbouw mogen den lezer echter niet worden onthouden.

'Van dat ouderwetschen zou ik nog rijkelijk op kunnen geven, als het maar in mijn gedachten schieten wil. Nu heb ik nog zitten denken in m'n eenzaamheid: vroeger 's winters, als we behouden teelt hadden - ik spreek van m'n jongen tijd hoor! - nu, dan stond je gemeenlijk zoo'n week of twaalf, dertien op de rollen (= ronde balken waarop de schuiten rustten en verplaatst werden). Dan gingen we 'skietlòòte' of 'kolfsklòòte': Slaan met een stok en 'n vierkant stuk hout (er aan); de stok stond een beetje 'terzèt'(= schuin aan dat hout). Dan waren wij jongens, dan liepen wij vooruit, en dan gingen we 'taite' (= tuiten, puntige zandhoopjes) maken: van die hoopjes zand, daar moesten de 'kloote' bovenop. Dan stonden ze (= de maanden die speelden) zoo, net als ik nu sta, dan namen ze den stok en sloegen ze zoo die kloot een eind weg over het strand. Ze sloegen vierkant over de Watering heen, eer hij op den grond kwam, zoo over de Watering heen.' Men moet dit zoo begrijpen, dat de kolfbaan begon bij het tegenwoordige hotel De Zwaan en dat er spelers waren die in één slag eenige honderden meters ver sloegen. De tweede verteller preciseerde namelijk het kolven aldus:

'Bij De Zwaan' heeft een kolfbaan gestaan. Maar ze deden het ook op het strand. Dan werd de bal op 'den toren' (= 'tait') gezet. Nu ging het om de 'klappen' (= het aantal slagen) naar de Watering (= het kanaal dat bij de sluizen in zee gaat). En weet je wie daar de felste klapper van was? Keesje Leen. Die sloeg 'm in eene klap 'drijvens' (= zoo maar) in de Watering. Hier bij de 'wurf' (= het strand vóór de Dorpsstraat) vandaan drijvens in de Watering. Dat werd altijd gedaan, als het een harde strand was. Dat spel ging om beurten, man voor man.'

Maar men kon, gelijk gezegd, het kolfspel uitbreiden in de richting van Noordwijk langs het strand. De jongens liepen al maar vooruit, om de 'taite' te maken: 'Wij liepen maar vooruit, maakten dat we de 'taite' (klaar) hadden. Jongelui sloegen er, en getrouwden ook. De kolfsklooten waren zóó groot (ca. 1 dm). Dan gingen we naar Noordwijk; Noordwijk door ging het, naar (onleesbaar), dan ging het op boomen, die daar stonden van de tol tot de (touw)baan toe. Dan kwamen we zoo bij de derde sluis uit. Dan gingen we zoo Katwijk Binnen door naar de Nieuwe Aanleg, die stond ook aan den Noordkant (van den hoofdweg). Dat was een her(...onleesbaar) hoor! Dáár stond een deur waar je in kwam en dáár had je een deur naar de kachel en dáár ging het op heen. Maar was het nu zoo dat je dacht: 'Ik kan het winnen!' (die hoefde niet te betalen in den pot), dan ging hij (de bal) soms het laatste eindje door het glas heen: die ruit die werd toch betaald, en kolfde je verder met een snee in de neus, dat begrijp je wel. Dan gingen we op Katwijk Binnen af zingende aan.

'Skietloote' dat was weer anders (...onleesbaar) Hier nu bij de Watering af, dat was (...onleesbaar) duin over weerszijden. Dan gingen we bij den huizen vandaan, bij Hein van Reine aan de Sluisweg. Dan gingen we op het Sch(...onleesbaar) naar de tweede sluis. Dat (skietlooten) deeden we op stéénen, een stuk of zeven acht op elkaar, daar ging het op. Wie er het eerst was, die won. Dat ging op de Watering aan (...onleesbaar) die ligt er nog over de Watering. (...Onleesbaar) dan ook zoo recht door naar Katwijk Binnen skietlootende, aan. Dan kwamen we op het einde van het Mallegat, en dan op den Nieuwe Aanleg toe (de herberg (...onleesbaar) gingen we ook weer net eender als met (...onleesbaar) klooten. Die tegen den an sloeg, won het. 'Op het veld' noemden we dat, 'op het strand' ging het op de 'taite'.

(...)

Tekst uit een krantenknipsel, oorspronkelijk uit de verzameling van M.D. Kalker, voormalig voorzitter van de Kolfbond.

Bron: Stadsarchief Amsterdam en Annette Klinkert

Citaat uit De Kolver

'Ga en zie zelf, of wilt gij uw fatsoen en uwen stand in de maatschappij niet benadeelen door in eene boerenherberg binnen te treden, welnu rijd dan naar Dordrecht, waar de rijke kooplieden voorheen zulke fraaie kolfbanen bouwden, in welke de heerlijke Rhijnwijn met ankers werd geschonken en men onder het kolven vierkante stukjes oude Hollandsche kaas met beschuit aanbood, maar haast u, want het biljart, dat, uit Frankrijk afkomstig, zich in een groot gedeelte van Europa heeft gevestigd, dat spel, waartoe minder krachtsontwikkeling dan tot het kolven vereischt wordt, verdringt de eerwaardige kolfbaan, die reeds door de landbouwers en door den handwerksman begint verlaten te worden. Spoedig zal het kolfspel geheel in onbruik zijn, en wanneer men dan een nog beknopter spel dan het biljart zal hebben uitgevonden, dan zal men zich met evenveel verwondering afvragen: hoe hebben de menschen toch kunnen kolven? Als wij thans met moeite kunnen gelooven, dat twee of drie slagen met eenen ijzeren hamer, die aan eenen lange dunne rotting was vastgemaakt, genoegzaam waren, om zware houten ballen tot aan het einde der lange maliënbanen te brengen, welke nog bij de meeste onzer steden gevonden worden'.

Citaat uit het hoofdstuk De Kolver is afkomstig uit 'De Nederlanden, karakterschetsen, kleederdrachten, houding en voorkomens van verschillende standen' met gravures 'naar teekeningen van de voornaamste Nederlandsche kunstenaren' van Henry Brown, in 1841 uitgegeven te 's Gravenhage door de 'Nederlandsche Maatschappij voor Schoone Kunsten'.

Archief Kolfclub 'Utrecht St. Eloyen Gasthuis'

St. Eloyen Gasthuis

In Utrecht bleef de kolfbaan bij het St. Eloyen Gasthuis als enige baan buiten Noord-Holland in gebruik. Wel is de baan bij een ingrijpende verbouwing in 1884 een kwart slag gedraaid en verplaatst. Daarna is enkele keren geprobeerd deze kleine baan te vergroten, maar die pogingen strandden op onwillige buren. De baan bleef tot 1957 open aan de tuinzijde, maar werd in dat jaar opgenomen in de toen in de tuin gerealiseerde 'Smedenzaal'. Het huidige aanzien van de kleine, maar charmante baan is gerealiseerd in 1987, toen na 30 jaar de modernisering uit de vijftiger jaren weer ongedaan werd gemaakt.

In Noord-Holland bleef het kolfspel onverkort populair en enige tientallen kolfverenigingen overleefden tot de dag van vandaag. Maar ook daar gingen de vaste kolfbanen de een na de ander ten onder om plaats te maken voor de demontabele kolfbanen zoals die thans nog in gebruik zijn.

Kolf op de kaart en aan de gevel

De populariteit van kolf kan ook worden teruggevonden in talrijke verwijzingen in straatnamen en namen van herbergen. Ook in gevelstenen en op (verdwenen) luifels troffen we (vroeger) vele verwijzingen. Hieronder een inventarisatie.

Gevelstenen
Edam - Prostestants weeshuis, Grote Kerkstraat: colvende jongens (1561; zie onder Sier- en gebruiksvoorwerpen in tijdvak 1450-1700)
Delft - huis De Kolf, Oude Langedrijk 7, 1641 (zie onder Sier- en gebruiksvoorwerpen in tijdvak 1450-1700)
Hoorn - huis Groote Oost, hoek Schoolsteeg, ca 1610 (zie onder Sier- en gebruiksvoorwerpen in tijdvak 1450-1700)

Maar veel gevelstenen zijn verdwenen. Van de volgende panden is bekend dat zij vroeger een aan colf gerelateerde gevelsteen hadden:
Leuven (B) - Oude Markt 20: Huis 'Den Grooten Colff', later: 'Den Eyseren Colff'
Leuven - Naast het voorgaande pand: Huis 'Den Cleijnen Colff', ook genoemd 'Het Colffken
Middelburg - Markt 37: Huis 'De Gouden Kolf'
Middelburg - Vlasmarkt 24: Huis 'De Twee Gouden Kolven'
Veere - Markt 2, gebouwd ca 1600: Huis 'De Kolve'

Uithangborden, luifels

De bezoeker van een Haagse kolfbaan schreef op de muur:
'Men speelt hier kolf goedkoop, men zweet hier uit pleizier.
Daar 't balleteren doet de beurs en 't ligchaam zweten:
Ik ben zoo gek niet meer, noch koop geen zweet zoo dier.
Maar min, in matigheid, wijn, Trijn en lekker eten.'

Een kolfmaker aan het einde van de Zijlweg, bij de toenmalige Zijlpoort te Haarlem, voerde het volgende luifelschrift:
'Hier maakt men kolven, puik en eêl,
Kolft met pleizier, zonder krakeel,
Maakt een pintje of een vaan,
Maar laat de boer zijn rapen staan;
Al is de winter koud en fel,
Wij slaan de bal al evenwel.'
Uit: Het Derde Deel der Koddige en Ernstige Opschriften op Luyffens, Wagens, Glazen, &c., door Hieronymus Sweerts, 1682

Omstreeks 1800 op een luifel in de Kolfmakerssteeg te Leiden:
'Looft God bovenal,
Hier verkoopt men kolf en bal'

Uithangbord van herberg 'In den witten hond met den zwarten' met kolfbaan te Rotterdam in de 18e eeuw:
'Liefhebbers, hier hangt kolf en bal.
Hagendeveld van Rotterdammers al;
Die kolven wil, komt hier ter steê,
Brengt dukatons en ballen mee.'
De betekenis van het woord Hagendeveld hebben wij niet kunnen achterhalen.

Bron: Maandblad Golf, augustus 1942

Straatnamen
Breda - Kolfbaanstraat
Brielle - Kolfslop (thans 'Kaatsbaan')
Dordrecht - Kolfstraat (sinds ca 1400?)
Gouda - Kolfwetering
Leiden - Kolfmakerssteeg (sinds 1520)
Lopik - Kolfbaan
Naarden - Kolfbaan
Nieuwkoop - Kolfbaan
Vianen - Kolfbaanweg

Herbergen en uitspanningen
Brielle - De Kolf, aan het Kolfslop (thans Kaatsbaan)
Dordrecht - De Colf, aan de Kolfstraat (vóór 1406)

Ook voor 'malie' kennen we verwijzingen:
Amsterdam - Maliebaan
Breda - Speelhuislaan
Esslingen am Neckar, Duitsland - Maillestrasse
Genève, Zwitserland - Chemin de la Maille
's-Gravenhage - Malieveld, Maliestraat
Himmelkron, Duitsland - Baille-Maille-Allee
Leiden - Maliebaan
Londen (GB - Pall Mall
Utrecht - Maliebaan, Maliesingel, Maliestraat
Gezien de enorme populariteit van malie in Frankrijk moet het niet veel moeite kosten om aldaar straatnamen met verwijzingen naar dit spel te vinden.

Innovatie

De kolfsport is altijd rijk geweest aan tradities, maar dit wil niet zeggen dat de kolvers behoudend zijn geweest wat betreft vernieuwingen. De overgang van de kerfstok, waar de kolvers voor 1700 het aantal slagen op bijhielden, via schoolbord naar computer is een logische ontwikkeling. Uit de historie van het kolven zijn toch enkele bijzondere ontwikkelingen te melden.
• Dankzij de lampen van Boulton en Watt kon men vanaf 1792 de banen verlichten. In het reglement van Collegie 'Nooit Gedacht' in Koog aan de Zaan is in 1823 de bepaling opgenomen dat kolvers die bij het lamplicht kolfden gezamenlijk één gulden en tien centen aan de kastelein zouden betalen.
• Het St. Eloyen Gasthuis in Utrecht besloot in 1843 om voor de verlichting gebruik te maken van 'portatief gas' (= gas in cylinders). Vier jaar later liet het huis zich aansluiten op het buizennet van een gasfabriek
• A. Muller uit Willeskoop kwam in 1889 met een vinding die precies aangaf of een dun gesneden kasbal de paal geraakt had of dat en poedel genoteerd moest worden. Aan het ondereinde van de paal was een draaibare bus gemonteerd. Bij de geringste aanraking, dus hoe dun de bal de paal ook zou raken, sloeg een wijzertje altijd uit. Echter in de praktijk werkte dit niet, want het grootste probleem was dat de voorballen harder geslagen moesten worden omdat deze draaibare bus los om de paal zat.
• Voor de secretaris van de Kolfbond is in 1898 een 'hectograaf' aangeschaft. Met dit apparaat konden verscheidene afdrukken van met inkt geschreven tekst worden gemaakt.
• Tijdens de Nederlandse Kampioenschappen van 1917 in Nieuwe Niedorp had men een nieuwigheid. De benedenpaal kon door een mechaniek omhoog getrokken worden, zodat bij de puntenklap niemand meer nadeel of voordeel kon hebben.
• Dat de aloude kolfsport met de tijd meegaat bewijst wel deze virtuele kolftentoonstelling, ingericht ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan van de Kolfbond.

Bron: Dirk Spijker

Kolven buiten Nederland

Zie voor een uitvoerige beschrijving onder 'Over colf & kolf in de Nieuwe Tijd (1450-1700) in de galerij 1450-1700.

Croquet

Aan dit tijdvak is een album toegevoegd met afbeeldingen van croquet. Dit spel vertoont gelijkenissen met colven, malie en beugelen. Hieronder een korte uiteenzetting van de geschiedenis van 'croquet'.
Let op
De claim dat 'pall mall, trucco, jeu de mail & kolven' afgeleid zijn van 'ground billiards' zijn laten wij graag voor rekening van de schrijfster.

English
Croquet is, like pall mall, trucco, jeu de mail & kolven, clearly a derivative of ground billiards, which was popular in Western Europe back to at least the 14th century, with roots in classical antiquity. Researchers claim that both golf & croquet evolved from these ancient sports, and that billiards was a modified inside game of croquet.
Some Researchers believe the game was Introduced to Britain from France falling on the reign of Charles II of England, and WAS played under the name of straw-gold mesh pall mall, derived Ultimately from Latin words for “ball and mallet.”
Played during the 17th century by Charles II & his courtiers at St. James’s Park in London, the name of the game was anglicized to Pall Mall, which also became the name of a nearby street. “Mall” then evolved into a generic word for any street used for public gathering & strollings.
In his 1810 book entitled The Sports and Pastimes of the People of England, Joseph Strutt describes the way pall mall was played in England in the early 17th century: “Pale-maille is a game wherein a round box ball is struck with a mallet through a high arch of iron, which he that can do at the fewest blows, or at the number agreed upon, wins. It is to be observed, that there are two of these arches, that is one at either end of the alley.”
In Samuel Johnson’s 1828 dictionary, he defines the game, “A play in which the ball is struck with a mallet through an iron ring.”
A similar game was played on the beaches of Brittany. Some researches believe that the rules of the modern game of croquet arrived from Ireland during the 1850s, perhaps after being brought there from Brittany. Records show the similar game of “crookey” being played at Castlebellingham in 1834, which was introduced to Galway in 1835 & played on the bishop’s palace garden, and in the same year to the genteel Dublin suburb of Kingstown (today Dún Laoghaire) where it was first spelled “croquet.”
The oldest document to bear the word “croquet” with a description of the modern game is the set of rules registered by Isaac Spratt in November 1856 with the Stationers’ Company in London.
The tale is that the game traveled from Ireland to England around 1851. An unidentified Miss MacNaghten observed peasants in France playing a game with hoops made of willow rods & mallets of broomsticks inserted into pieces of wood & introduced it in Ireland. Sometime around 1850, she passed the idea to a Mr. Spratt and the result was Spratt’s rules for croquet published in 1851. Spratt then passed the game on to John Jacques; who claimed that he made equipment from patterns he bought in Ireland & had published rules, before Spratt introduced the subject to him. Whatever the case, Jacques was the first to make equipment as a regular business; and in 1864, published his first comprehensive code of laws.
At first, croquet was most popular among women, It was a new experience for them to be able to play a game outdoors in the company of men. Early games of croquet were carefully chaperoned. The game’s popularity grew in the 1860′s, where garden parties began to be called croquet parties.
1868 saw the formation of the All England Croquet Club with the purpose of creating an official body to control the game and unify the laws. They needed to find a ground, and in 1869 leased four acres in Wimbledon.
In 1875, one lawn at the club was set aside for exciting new game of lawn tennis, which was gaining popularity much more quickly than croquet. In April, 1877 the club name was changed to the All England Croquet and Lawn Tennis Club; and in July, 1877 the first lawn tennis championship was held at Wimbledon.
Croquet began to decline as tennis grew & proved to be more of a money maker. In 1882, croquet was deleted from the club title. However, croquet continued & went through a regrowth. In 1899, the name was restyled again to to the All England Lawn Tennis and Croquet Club which it remains today.
While croquet was on the decline in England, it was beginning to be the latest rage in America. Croquet equipment was advertised in the New York Clipper in 1862. In a story of an elopment in the November, 1864 issue of Godey’s Ladies Book, they described the intended bride, “her petite figure and dove-like eyes caused her at once to become “the rage of the park, the ball-room, the opera, and the croquet lawn.” In 1865, the Newport Croquet Club was formed in Rhode Island. The April 1865, Godey’s Ladies Book published a few rules for the game declaring, “As this game is now becoming very fashionable, we give some of the rules that govern it.”
When Vassar College opened , an announcement Godey’s Lady’s Book. August, 1865, stated, “The play-grounds are ample and secluded; and the apparatus required for…such simple feminine sports as archery, croquet (or ladies’ cricket), graces, shuttlecocks, etc. will be supplied by the college.” In the same issue, the magazine explained, “A NEW
and fashionable amusement for the ladies may be found in the game of croquet , which is fast winning its way into the favor and esteem of all who make its acquaintance. It is a delightful game; it gives grace to the movements of the players; it can be played on any little grass-plot, and the implements of the game are becoming so cheap as to place them within the reach of all. Boys and girls, young men and maidens, and (as we do know), a good many older ones, find in it a most healthful and fascinating out-door recreation.” Two months later, the magazine noted, “Among the late novelties we notice pocket-handkerchiefs having a lady in croquet dress with mallet in hand, embroidered in gay colors in the corner.”
By April of the next year, Godey’s was featuring a croquet dress in one of its fashion plates, “Croquet dress of black alpaca, trimmed round the edge of the skirt, up the front, and up each breadth, with bands of green silk cut out in points. The basque is made quite long, slit up to the waist at the back, and turned over with green silk both back and front. The sleeves are trimmed with points of green silk to match the skirt, and the corsage is turned back, in revers, showing a fine worked chemisette. Hat of black straw, trimmed with a puffing of green silk, and a long white plume.”
Milton Bradley & Co in 1866, published “Croquet – It’s Principles and Rules.” In February of 1867, Godey’s explaned that croquet, “requires for its full development a level ground of well-mown and well-rolled grass (unless all are equally acquainted with the inequalities, when slight undulations may add to the interest of the game); but it can be played on the sand of the sea-shore where it is hard and level, or upon well-rolled grave, or asphalte covered with a thin layer of fine broken shells.”
Later in 1867, a New York newspaper editorialized, “never in the history of outdoor sports in this country had any game achieved so sudden a popularity with both sexes, but especially with the ladies, as Croquet has.”
The Delaware County Republican newspaper of July 10, 1868. carried an announcement of a variety of wooden croquet sets for sale, “BOX WOOD, Rose Wood, Lignum Vitae, Rock Maple, and less expensive sets of Croquet Games.” By 1869, churches were offering croquet to their guests. The Delaware County American announced on June 2, 1869, next to the Maple Church, “a strawberry and ice cream FESTIVAL, provided and served by ladies…a Concert, Vocal and Instrumental …also, a croquet lawn, with the requisite conveniences.” When the strawberries ripened the following June, the church ladies once again offered their festival including croquet. The popularity of croquet was growing by leaps and bounds in post Civil War America.

Eine Geschichte von Croquet & seine Fashions 17C-19C aus Europa und England nach Amerika ( written by Barbara Wells Sarudy )


Johann Mongles Culverhouse (Dutch-born American painter, 1825-1895): Croquet
Croquet is, like pall mall, trucco, jeu de mail & kolven, clearly a derivative of ground billiards, which was popular in Western Europe back to at least the 14th century, with roots in classical antiquity.

1650 Peter Lely (English artist, 1618-1680) The Children of the Markgraaf de Trazegnies
Researchers claim that both golf & croquet evolved from these ancient sports, and that billiards was a modified inside game of croquet.

1650 ‘The Centre of Love, I the land Decouvert Miscellaneous Emblesmes gallant and jocular’ was first published (by Chez Cupid) c 1650.
Some Researchers believe the game was Introduced to Britain from France falling on the reign of Charles II of England, and WAS played under the name of straw-gold mesh pall mall, derived Ultimately from Latin words for “ball and mallet.”

1626 Adrian van de Veen Frederick V, Elector Palatine on the Maliebaen in Den Haag
Played during the 17th century by Charles II & his courtiers at St. James’s Park in London, the name of the game was anglicized to Pall Mall, which also became the name of a nearby street. “Mall” then evolved into a generic word for any street used for public gathering & strollings.

The Pall Mall at St James, London, from a 17th century map by Faithhorne
In his 1810 book entitled The Sports and Pastimes of the People of England, Joseph Strutt describes the way pall mall was played in England in the early 17th century: “Pale-maille is a game wherein a round box ball is struck with a mallet through a high arch of iron, which he that can do at the fewest blows, or at the number agreed upon, wins. It is to be observed, that there are two of these arches, that is one at either end of the alley.”

David Johnson (American artist, 1827-1908) Croquet on the Lawn
In Samuel Johnson’s 1828 dictionary, he defines the game, “A play in which the ball is struck with a mallet through an iron ring.”

Winslow Homer (American artist, 1836-1910) Croquet
A similar game was played on the beaches of Brittany. Some researches believe that the rules of the modern game of croquet arrived from Ireland during the 1850s, perhaps after being brought there from Brittany. Records show the similar game of “crookey” being played at Castlebellingham in 1834, which was introduced to Galway in 1835 & played on the bishop’s palace garden, and in the same year to the genteel Dublin suburb of Kingstown (today Dún Laoghaire) where it was first spelled “croquet.”

Winslow Homer (American artist, 1836-1910) Croquet Players
The oldest document to bear the word “croquet” with a description of the modern game is the set of rules registered by Isaac Spratt in November 1856 with the Stationers’ Company in London.

1866 The Game of Croquet Published by Harper’s Weekly. 1866 detail
The tale is that the game traveled from Ireland to England around 1851. An unidentified Miss MacNaghten observed peasants in France playing a game with hoops made of willow rods & mallets of broomsticks inserted into pieces of wood & introduced it in Ireland. Sometime around 1850, she passed the idea to a Mr. Spratt and the result was Spratt’s rules for croquet published in 1851. Spratt then passed the game on to John Jacques; who claimed that he made equipment from patterns he bought in Ireland & had published rules, before Spratt introduced the subject to him. Whatever the case, Jacques was the first to make equipment as a regular business; and in 1864, published his first comprehensive code of laws.

1870 Croquet Published in
Every Saturday An Illustrated Journal of choice Reading, BostonAt first, croquet was most popular among women, It was a new experience for them to be able to play a game outdoors in the company of men. Early games of croquet were carefully chaperoned. The game’s popularity grew in the 1860′s, where garden parties began to be called croquet parties.

1870 Croqueting the Rover.
Published in Every Saturday An Illustrated Journal of Choice Reading. Boston1868 saw the formation of the All England Croquet Club with the purpose of creating an official body to control the game and unify the laws. They needed to find a ground, and in 1869 leased four acres in Wimbledon.

1871 Preparing for Croquet published in Harper’s Weekly, New York, July 22, 1871.
In 1875, one lawn at the club was set aside for exciting new game of lawn tennis, which was gaining popularity much more quickly than croquet. In April, 1877 the club name was changed to the All England Croquet and Lawn Tennis Club; and in July, 1877 the first lawn tennis championship was held at Wimbledon.

1872 The Last Croquet Game of the Summer published in Harper’s Bazar, New York, Nov. 2, 1872.
Croquet began to decline as tennis grew & proved to be more of a money maker. In 1882, croquet was deleted from the club title. However, croquet continued & went through a regrowth. In 1899, the name was restyled again to to the All England Lawn Tennis and Croquet Club which it remains today.

Croquet
While croquet was on the decline in England, it was beginning to be the latest rage in America. Croquet equipment was advertised in the New York Clipper in 1862. In a story of an elopment in the November, 1864 issue of Godey’s Ladies Book, they described the intended bride, “her petite figure and dove-like eyes caused her at once to become “the rage of the park, the ball-room, the opera, and the croquet lawn.” In 1865, the Newport Croquet Club was formed in Rhode Island. The April 1865, Godey’s Ladies Book published a few rules for the game declaring, “As this game is now becoming very fashionable, we give some of the rules that govern it.”

1862 John Leech (English artist, 1817-1864) Croquet
When Vassar College opened , an announcement Godey’s Lady’s Book. August, 1865, stated, “The play-grounds are ample and secluded; and the apparatus required for…such simple feminine sports as archery, croquet (or ladies’ cricket), graces, shuttlecocks, etc. will be supplied by the college.” In the same issue, the magazine explained, “A NEW
and fashionable amusement for the ladies may be found in the game of croquet , which is fast winning its way into the favor and esteem of all who make its acquaintance. It is a delightful game; it gives grace to the movements of the players; it can be played on any little grass-plot, and the implements of the game are becoming so cheap as to place them within the reach of all. Boys and girls, young men and maidens, and (as we do know), a good many older ones, find in it a most healthful and fascinating out-door recreation.” Two months later, the magazine noted, “Among the late novelties we notice pocket-handkerchiefs having a lady in croquet dress with mallet in hand, embroidered in gay colors in the corner.”

1865 John Leech (English artist, 1817-1864) A Nice Game For Two Or More
By April of the next year, Godey’s was featuring a croquet dress in one of its fashion plates, “Croquet dress of black alpaca, trimmed round the edge of the skirt, up the front, and up each breadth, with bands of green silk cut out in points. The basque is made quite long, slit up to the waist at the back, and turned over with green silk both back and front. The sleeves are trimmed with points of green silk to match the skirt, and the corsage is turned back, in revers, showing a fine worked chemisette. Hat of black straw, trimmed with a puffing of green silk, and a long white plume.”

1867 Philip Hermogenes Calderon (French-born English painter,1833-1898) Resting in the Shade after a game of Croquet
Milton Bradley & Co in 1866, published “Croquet – It’s Principles and Rules.” In February of 1867, Godey’s explaned that croquet, “requires for its full development a level ground of well-mown and well-rolled grass (unless all are equally acquainted with the inequalities, when slight undulations may add to the interest of the game); but it can be played on the sand of the sea-shore where it is hard and level, or upon well-rolled grave, or asphalte covered with a thin layer of fine broken shells.”

John Sartain (1808-1897) Ulysses S. Grant (1822-1885), the 18th President of the United States (1869-1877) with his familyLater in 1867, a New York newspaper editorialized, “never in the history of outdoor sports in this country had any game achieved so sudden a popularity with both sexes, but especially with the ladies, as Croquet has.”

1870 The All-England Croquet Club at Wimbledon Ladies Sport Croquet Illustrated London News

The Delaware County Republican newspaper of July 10, 1868. carried an announcement of a variety of wooden croquet sets for sale, “BOX WOOD, Rose Wood, Lignum Vitae, Rock Maple, and less expensive sets of Croquet Games.” By 1869, churches were offering croquet to their guests. The Delaware County American announced on June 2, 1869, next to the Maple Church, “a strawberry and ice cream FESTIVAL, provided and served by ladies…a Concert, Vocal and Instrumental …also, a croquet lawn, with the requisite conveniences.” When the strawberries ripened the following June, the church ladies once again offered their festival including croquet. The popularity of croquet was growing by leaps and bounds in post Civil War America.

1871 Edouard Manet (French painter, 1832-1883) Part of Croquet at Boulogne-sur-Mer
In 1882 a convention in New York of 25 clubs Formed the National American Croquet Association. Croquet WAS Introduced as an Olympic Sport in the 1900 Paris games. Early 1900 American croquet leaders disagreed with; many of the new English rules All which outlawed mallets with heads made ​​of rubber & HAD Introduced the six-wicket short layout. They Kept the nine-wicket Version & Short Handled mallets with heads of metal face on one end and rubber on the other. The Americans Introduced Their Version of 9-wicket croquet at the 1904 Olympics in St. Louis All which was won by an American but never played in the Olympics again.

Croquet Fashions for players and observers
Croquet grew in popularity with women during the 1860s; however, the sport was hampered by their heavy, full skirts & the crinolines worn underneath. Many women took to looping up their skirts to prevent soiling them or brushing against the croquet balls. Designers began to have the exposed petticoats develop tabs to button up the skirts, & the hems on croquet dresses became increasingly bold & decorative. In 1864, one croquet player advised, “the dress should be looped up, or not only will it spoil many a good stroke, but with its sweeping train will probably disturb the position of some of the balls.”

From: Eine Geschichte von Croquet & seine Fashions 17C-19C aus Europa und England nach Amerika, written by Barbara Wells Sarudy. April 2014. Source: anemalon.com

Glossary of terms

• Backward ball: The ball of a side that has scored fewer hoops (compare with 'forward ball').
• Ball-in-hand: A ball that the striker can pick up to change its position, for example:
1. any ball when it leaves the court has to be replaced on the yard-line
2. the striker’s ball after making a roquet must be placed in contact with the roqueted ball
3. the striker’s ball when the striker is entitled to a lift.
• Ball in play: A ball after it has been played into the game, which is not a ball in hand or pegged out.
• Baulk: An imaginary line on which a ball is placed for its first shot in the game, or when taking a lift. The A-baulk coincides with the western half of the yard line along the south boundary; the B-baulk occupies the eastern half of the north boundary yard line.
• Bisque, half-bisque A bisque is a free turn in a handicap match. A half-bisque is a restricted handicap turn in which no point may be scored.
• Break down: To end a turn by making a mistake.
• Continuation stroke: Either the bonus stroke played after running a hoop in order or the second bonus stroke played after making a roquet.
• Croquet stroke: A stroke taken after making a roquet, in which the striker's ball and the roqueted ball are placed together in contact.
• Double tap: A fault in which the mallet makes more than one audible sound when it strikes the ball.
• Forward ball: The ball of a side that has scored more hoops (compare with 'backward ball').
• Hoop: Metal U-shaped gate pushed into ground. (Also called a wicket in the US).
• Leave: The position of the balls after a successful break, in which the striker is able to leave the balls placed so as to make life as difficult as possible for the opponent.
• Lift: A turn in which the player is entitled to remove the ball from its current position and play instead from either baulk line. A lift is permitted when a ball has been placed by the opponent in a position where it is wired from all other balls, and also in advanced play when the opponent has completed a break that includes hoops 1-back or 4-back.
• Object ball: A ball which is going to be rushed.
• Peg out: To cause a rover ball to strike the peg and conclude its active involvement in the game.
• Peel: To send a ball other than the striker's ball through its target hoop.
• Pioneer: A ball placed in a strategic position near the striker's next-but-one or next-but-two hoop, to assist in running that hoop later in the break.
• Primary colours or first colours: The main croquet ball colours used which are blue, red, black and yellow (in order of play). Blue and black, and red and yellow, are played by the same player or pair.
• Push: A fault when the mallet pushes the striker's ball, rather than making a clean strike.
• Roquet: (Second syllable rhymes with "play".) When the striker’s ball hits a ball that he is entitled to then take a croquet shot with. At the start of a turn, the striker is entitled to roquet all the other three balls once. Once the striker's ball goes through its target hoop, it is again entitled to roquet the other balls once.
• Rover ball: A ball that has run all 12 hoops and can be pegged out.
• Rover hoop: The last hoop, indicated by a red top bar. The first hoop has a blue top.
• Run a hoop: To send the striker’s ball through a hoop. If the hoop is the hoop in order for the striker’s ball, the striker earns a bonus stroke.
• Rush: A roquet when the roqueted ball is sent to a specific position on the court, such as the next hoop for the striker’s ball or close to a ball that the striker wishes to roquet next.
• Scatter shot: A continuation stroke used to hit a ball which may not be roqueted in order to send it to a less dangerous position.
• Secondary colours or second colours; also known as alternate colours: The colours of the balls used in the second game played on the same court in double-banking: green, pink, brown and white (in order of play). Green and brown versus pink and white, are played by the same player or pair.
• Sextuple peel (SXP): To peel the partner ball through its last six hoops in the course of a single turn. Very few players have achieved this feat, but it is being seen increasingly at championship level.
• Tice: A ball sent to a location that will entice an opponent to shoot at it but miss.
• Triple peel (TP): To send a ball other than the striker’s ball through its last three hoops, and then peg it out. See also Triple Peel, A variant is the Triple Peel on Opponent (TPO), where the peelee is the opponent's ball rather than the partner ball. The significance of this manoevre is that in advanced play, making a break that includes the tenth hoop (called 4-back) is penalized by granting the opponent a lift (entitling him to take the next shot from either baulk line). Therefore many breaks stop voluntarily with three hoops and the peg still to run.
• Wired: When a hoop or the peg impedes the path of a striker's ball, or the swing of the mallet. A player will often endeavour to finish a turn with the opponent's balls wired from each other.
• Yard line: An imaginary line one yard from the boundary. Balls that go off the boundary are generally replaced on the yard line (but if this happens on a croquet stroke, the turn ends).

Literature
• Hawkins, James (2010). Complete Croquet: A Guide to Skills, Tactics, and Strategy. Crowood Press. ISBN 978-1-84797-168-5.
• Laws of Association Croquet, 6th Edition, amended 2008, Croquet Association.