NGA Early Golf Webmuseum
Click for large image

0117_.jpg

Anoniem, ws. tweede helft achttiende eeuw

Loterijkaart, waarschijnlijk uit de tweede helft van de achttiende eeuw.

Op 4 april 1726 is door de toenmalige bestuurders van De Zeven Provinciën opgericht de 'Generaliteyts Lotereye der Vereenigde Nederlanden' (het Koninkrijk der Nederlanden bestond toen nog niet). De doelstelling was om fondsen te werven en tegelijkertijd de wildgroei aan kleine, provinciale en illegale loterijen te stoppen. Daarmee kreeg de organisatie ook de taak het kansspelveld te reguleren.

Het geldtekort was een rechtstreeks gevolg van de Spaanse Successieoorlog (1702-1713). De Vrede van Utrecht was voor de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden behoorlijk ongunstig geweest. In de oorlog was het leger flink gegroeid en dat kostte tientallen miljoenen guldens. De oorlog werd gefinancierd met leningen en speciale belastingen.

De eerste trekking vond in 1726 plaats in de Ridderzaal in Den Haag. Voor deze eerste trekking waren 120.000 loten verkocht. De trekking duurde vele dagen, want niet alleen de prijzen moesten worden getrokken, maar ook alle 'nieten' om fraude uit te sluiten. Voor de prijswinnaar was het de moeite van het wachten waard. Hij won het voor die tijd enorme bedrag van 30.000 guldens.
De organisatie verandere zes keer van naam (voor het eerst in 1805) en is thans bekend als de Stichting Exploitatie Nederlandse Staatsloterij, beter bekend als 'de Nederlandse Staatsloterij'.

De Generaliteitsloterij maakte gebruik van drie soorten kaartjes', de zogenoemde 'klassen' (vergl. de halve, kwart- en achtste loten van tegenwoordig):
• Geïllustreerde en genummerde kaarten (de hier weergegeven kaart is daarvan een voorbeeld).
• Veel kleinere kaarten met zinnen en een nummer.
• De kleinste kaartjes die een winst weergeven, bijvoorbeeld 12 gulden of het woord 'niets
Dit type loterijen waren vooral populair in de Noordelijke Nederlanden en in Duitsland. De kaarten werden gedrukt in Duitsland, in het Duits of in het Nederlands.
Iedere klasse had hetzelfde aantal kaartjes, meestal 50 of 60, wat een totaal oplevert van 150 of 180 kaartjes.

Gokken zat al van oudsher in de Nederlandse volksaard. De eerste officiële loterij staat genoteerd voor Utrecht in 1444. De stad zat om geld verlegen. De hoofd- en tevens enige prijs was een lijfrente.

In de Middeleeuwen had elke stad wel een loterij, en gaandeweg was dat ontaard in een flinke chaos. De overheid wenste toezicht. Het is nooit helemaal duidelijk geworden of dát de reden was van de Staten-Generaal om tot deze Generaliteitsloterij te komen, of het groeiende tekort in de staatskas. Waarschijnlijk beide.

Het geldtekort was een rechtstreeks gevolg van de Spaanse Successieoorlog (1702-1713). De Vrede van Utrecht was voor de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden behoorlijk ongunstig geweest. In de oorlog was het leger flink gegroeid en dat kostte tientallen miljoenen guldens. De oorlog werd gefinancierd met leningen en speciale belastingen. En er waren loterijen, de directe voorlopers van de Generaliteitsloterij.

Tot de oprichtingsdatum van deze loterij in 1726 had ieder gewest zijn eigen recht, belasting en loterij. De Generaliteitsloterij bracht eenheid in het loterijwezen en je kunt zeggen dat zij ook een flinke stap was in de richting van het latere centraal bestuur in Nederland.

Toch had die eerste Generaliteitsloterij niet het succes dat ervan verwacht werd. De opbrengst was erg mager. En waarmee men nauwelijks rekening had gehouden: er bleven andere loterijvormen bestaan. Zo is het eigenlijk altijd gebleven. Lotto, Postcodeloterij en dergelijke lijken iets van de laatste jaren, maar er zijn naast de Staatsloterij voortdurend andere grote en kleine loterijen actief gebleven.

De organisatie van die eerste Generaliteitsloterij lag bij Willem Kersseboom, die een van de beste wiskundige theoretici van zijn tijd wordt genoemd. Zijn eigenlijke functie was commies bij de Raad van State en later klerk bij de Rekenkamer. Maar de eigenlijke opzet, compleet met drie (prijs)klassen, kwam van ene Adolf Huyske (die overigens nóg een plan had ingediend, dat afgewezen werd).

Men besloot op 4 april 1726 tot de volgende gang van zaken: er kwamen 120 duizend loten, 30 duizend prijzen, prijzengeld 2,4 miljoen gulden. De loten waren verdeeld in drie groepen ('klassen') van elk 40 duizend stuks. Een lot in de hoogste klasse kostte 40 gulden, dan 30 en in de laagste klasse kon men voor 20 gulden terecht. Het prijzengeld verhield zich navenant. Als hoogste prijzen konden worden uitgekeerd: 60 duizend, 40 duizend en 20 duizend gulden. De laagste prijs was 20 gulden.

Er zijn in Nederland altijd (vooral religieuze) groeperingen geweest die niets van gokken moesten hebben. In 1901 probeerde Abraham Kuyper er bij wet een eind aan te maken. De AR-politicus beschouwde loterijen als een bron van zedelijk verval. Maar zijn kabinet bleef te kort aan om het voornemen te kunnen uitvoeren.

Het debat sudderde langere tijd voort. In een van de vitrines van het Kansspelmuseum prijkt een spotprent van de fameuze Johan Braakensiek in het weekblad De Amsterdammer uit 1904. Daarop staat de Nederlandsche Maagd afgebeeld met een waaier in haar hand waarop het woord 'Staatsloterij'. Ze zit op een troon met de woorden 'opium' en 'jenever'. Voor haar staan vier door een koddebeier geboeide vrouwspersonen op wier sjaals en mantels de namen van diverse andere loterijen prijken. 'Wat ben jullie verschrikkelijk onzedelijke vrouwspersonen!', voegt de Maagd deze dames toe.

De strekking is duidelijk. Braakensiek hekelt de wijze waarop de staat van die dagen blijkbaar over de slechte zedelijke gewoonten van het volk wil waken, maar zelf toch maar mooi de inkomsten van die slechte loterij int.

Zie voor een voorbeeld van een volledige kaartset: http://www.loterijmuseum.be/collectie/loteryspel-bestaande-60-loten-zonder-nieten-verdeeld-6-classen

Gravure op dik papier (dun karton). 41 x 64 mm. Prentmaker en uitgever anoniem.

Bronnen
• Afbeelding: NGA Early Golf
• Toelichting: Thierry Depaulis, voorzitter van de ‘International Playing-Card Society’ en het artikel 'Kansapelmuseum' door Henk Strabbing in De Volkskrant van 26 mei 2001.