NGA Early Golf Webmuseum


Colf & Kolf van 1450 tot 1700

Op de lange en rechte Nes te Amsterdam, waar geen water langs liep en het dus aantrekkelijk was om te colven, werd het spel in 1480 verboden op straffe van 'verbeurte van haere klederen die zij an hebben'. Uit de stad Leiden is een verordening uit 1455 bekend, waarin het spel niet alleen op straat, maar zelfs op het ijs werd verboden. Ook de 'kaetsbanen, cloetbaenen of keylbanen ende diergelijke' binnen de stad werden er in 1463 aan regels gebonden. Overigens hadden de 'Heren van den Gerechte' te Amsterdam in maart 1545 de behoefte om het colfspel in de hand- en voetboogdoelen te verbieden. De banen werden door het colven te zeer beschadigd. Twee maanden later gold het verbod voor de hele stad, maar er was geen kruit tegen het spel gewassen: het verbod moest nog tien keer worden herhaald. Daarbij was, met het oog op de veiligheid op straat, een speciaal verbod voor de wel zeer geplaagde omgeving van het West-Indisch Huis en de Beurs

Uit 1465 stamt een verordening in Naarden, waarbij de 'boeverije' van het colven in de kerk en op het kerhof werd verboden. Twee colspelende demonen op het fries van een tempel rond 1500 geschilderd op het gewelf van de grote kerk, herinneren onbedoeld nog aan het gebruik van de kerk als sporthal.
Ook in Abbekerk en later in Loenen aan de Vecht werd het colven op het kerkhof bij keur verboden. De kerkhoven waren toen nog betrekkelijk leeg en soms bestraat. Daar werd ook de markt of kermis gehouden. Begraven gebeurde nog hoofdzakelijk in de kerk. Kerk en kerkhof waren het middelpunt van het sociale stadsleven en het colfverbod zal daarom voornamelijk bedoeld zijn geweest om schade te voorkomen.
Jaren later, in 1623, herhaalde men in Naarden de keur tegen het colven bij de kerk. Er was een speciale baan achter het erf van Gerrit Corneliszoon Noy, maar in dezelfde keur staat dat men daar ook kadavers van dode dieren moest begraven. Het kerkhof genoot wellicht daarom toch de voorkeur van de spelers.

IJscolf

Jacques Temmerman in Golf & Kolf, zeven eeuwen geschiedenis:
Door de vele verboden was het niet gemakkelijk om binnen de steden te colven of te kolven en de spelers weken uit tot buiten de stadsmuren. Maar dat was ook toen al niet zo gemakkelijk, want ook daar golden beperkingen. In 1377 bepaalde het Antwerpse stadsbestuur bijvoorbeeld dat het colven verboden was gedurende de zaaitijd. 's Zomers was bovendien de begroeiing op de akkers en weiden hinderlijk voor de spelers: de ballen gingen gemakkelijk verloren. De vroege lente en vooral de wintermaanden waren de beste tijd. In de agrarische maatschappij van die tijd was de winter bovendien de minst drukke periode van het jaar. Van de lente tot de herfst was men druk op het veld, maar tijdens de wintermaanden was er heel wat minder werk en deze tijd kon aangenaam besteed worden aan bijvoorbeeld feesten, schaatsen en colven.

'Kolf in de kunst': Hendrick Avercamp

Als we denken aan 'kolf in de kunst', dan komen ons direct de schilderijen en prenten van Hendrick Avercamp (1585-1634) voor de geest. Doorgaans worden van hem twee dingen vermeld; dat hij zich specialiseerde in winterlandschappen en dat hij stom was. Dat laatste weten wij omdat hij in 1607 op de veiling van schilderijen van zijn leraar Pieter Isaacks (1569-1625) wordt vermeld als 'de stom tot Pieter Isacqs'. In 1614 verhuist hij met zijn familie naar Kampen -waar zijn vader en broer stadsapotheker werden- en daar wordt hij in een contract vermeld als 'Hendrick Avercamp de Stomme'.
Ondanks zijn handicap maakte Avercamp als schilder een goede carrière. Zoals zovelen zocht hij in de sterk groeiende markt naar een niche, en vond die in het winterlandschap. Daarbij leunde hij op het werk van Vlaamse landschapsschilders als Van Coninxloo en Vinckboons, maar vooral op dat van Pieter Breughel de Oudere. Bij Avercamp 'vernederlandst' dat fantasierijke landschap, de horizon daalt, en er ontstaat een beeld van Nederland dat door Esaias van de Velde en Jan van Goyen verder zal worden ontwikkeld.
De winterlandschappen zijn meesterlijk. Ten eerste om Avercamps voortreffelijke gevoel voor de atmosfeer van een winterdag, met zijn grijs-oranje licht en de suggestie van vorst die in de lucht hangt. Ten tweede om de breugheliaanse detaillering, met allerlei figuurtjes van allerlei rang en stand. Op Avercamps ijs komt de hele wereld tezamen. Elegante dames spelen kolf, paartjes zwieren, stijve heren schaatsen waardig, en in de marge dondert er altijd wel iemand op zijn kont, of zit er iemand een potje te schijten. Iconografen mogen er graag een beeld in zien van de egalitaire samenleving die de jonge republiek was; anderen zagen er een verbeelding in van 'de glibberigheid des levens', die iedereen, rijk en arm, te grazen kon nemen.
Er is niet zoveel bekend over de positie van stommen (en doofstommen) in de Republiek. Makkelijk kan die niet geweest zijn, maar het feit dat Avercamp in contracten optreedt is er een aanwijzing voor dat hij niet handelingsonbekwaam was. Avercamps familie behoorde tot de betere burgerij en was redelijk welgesteld. Maar in haar testament vermeldt zijn moeder dat zij zich zorgen maakt om haar stomme zoon, die niet getrouwd is, en ongelukkig. Ze stipuleert dat hij behalve zijn rechtmatig deel ook een jaartoelage van honderd gulden zal krijgen.
Koen Kleijn in 'De Groene Amsterdammer' van 27 november 2009

Bij Hendrick Avercamp worden colf én kolf afgebeeld, soms zelfs op één schilderij.

In dit webmuseum is Hendrick Avercamp vertegenwoordigd met ruim 50 prenten en schilderijen.

Ambacht en handel

In de 15e eeuw had het colfspel zich behalve over Holland en Utrecht ook over Friesland en Zeeland verspreid. Er waren steeds meer colfbanen en colfvelden bijgekomen in steden als Utrecht, Amersfoort, Middelburg en Zierikzee, alsook in Brugge en Mechelen.
Velen verdienden aan het colfspel hun dagelijks brood. In een ordonnantie (vgl. ordinantie) van 1437 uit Middelburg werd bepaald dat 'Jan die balmakere' geen accijnsvrijdom had zoals de Markies van wie hij zijn huis huurde. Op 22 december 1474 werd in dezelfde stad bepaald dat 'poorters of poorteressen' die colven en ballen verkopen onder het kramersgilde vallen. Later kwamen er in diverse andere steden gespecialiseerde bal- en colfmakers. In de ondertrouwregisters van bijvoorbeeld Amsterdam kwamen voor 1601 ten minste zestien balmakers voor.

Te Leiden kreeg rond 1520 de C(k)olfmakerssteeg haar naam. Op één van de luifels in de steeg was te lezen 'Looft God boven al, hier verkoopt men stok en bal'. Nadat in Leiden de colfmakers eerst geprobeerd hadden om tot het 'Stoeldraaiers en Wielmakers Gilde' toe te treden, maar daar niet werden geaccepteerd, richtten zij op 29 januari 1660 een eigen gilde op. In hun gildenbrief was niet alleen sprake van 'kolffmakers en kolffverkopers' in Leiden zelf, maar ook 'ten plattelande wonende'. Bepaald werd onder meer dat de stok een stadsmerk moest dragen en ook gemerkt moest worden door de meester die hem had gemaakt.

Hoeveel ballen er soms voor de balspelen gemaakt werden, blijkt uit het feit dat de legeraanvoerder van de hertog van Parma in 1588 als brandschatting, dat wil zeggen de som om brand en plundering door het leger af te kopen, van het dorp Tilburg 12.000 kaatsballen eiste. Gelukkig voor Tilburg had men in Goirle 6.500 ballen op voorraad. In 1665 telt de inwonerslijst van dat laatste dorp vierentwintig meesterbalmakers. Bij de heemkundige kring in Goirle 'De vyer Heertganghen' is nog gedeeltelijk authentiek balmakersgereedschap te zien.
Behalve in Amsterdam en Goirle werden ook veel ballen voor het colf- en maliespel gemaakt in Delft. Twee handige burgers sloten in 1669 een 10-jarige overeenkomst tot afname van de gehele productie van negen meesterbalmakers uit Goirle. Mogelijk lukte hen dit omdat Goirle, in tegenstelling tot Delft, geen balmakersgilde bezat. Uit de door hen gesloten akte blijkt onder meer dat de leertijd in het vak twee jaar was. Hoewel de gildenbrief van het Delftse gilde uit de 17e eeuw dateert, doet de naam St. Michiel vermoeden dat het gilde reeds voor de reformatie bestond. Overigens was het in Delft de 'ballemaekers' sinds 1586 verboden het 'haar dynende tot ballen' te wassen in de stadswateren om 'infesteren en bederven, onreynichheyt en putrefactie' te voorkomen. Het wassen van het haar was door de mest een onfris gebeuren en met hetzelfde water moest ook nog bier worden gebrouwen. Het wassen werd verwezen naar buiten de stad achter het pesthuis.

Binnen de stad bleef het kerkhof een aantrekkelijk speelveld. Het kerkhof zag er ook eind zestiende eeuw veel kaler uit dan nu. Als er al werd begraven, was het verboden om kruizen te plaatsen. omdat dit een katholiek bijgeloof zou zijn. Het colfspel ging vaak met veel herrie gepaard en in 1587 verbood de Utrechtse vroedschap het colven tijdens de predikatie, vanwege het razen en tieren van spelers en toeschouwers. De vroedschap wilde misschien op deze manier ook wel bevorderen, dat men de preek zou bijwonen. Tegen alle verdrukking in bleef de populariteit van het colfspel groeien.

Relatie met Schotland

In handelssteden, zoals Veere, leerden ook de Schotten het spel kennen. De 'Schotse Huizen' in Veere (zie afbeelding hiernaast) herinneren nog aan de nauwe handelsbetrekkingen met Schotland. Daar werd het colfspel namelijk gespeeld in havensteden aan de westkust, die met onze Republiek handel dreven. Daarbij werd ook druk gehandeld in colfmaterialen. Uit de registers van de zo geheten 'Grote Zeeuwse Tol' blijkt dat Engelse en Schotse kooplieden op de schepen die, na de jaarmarkten in Bergen op Zoom de Ooster- en Westerschelde afvoeren, tol hebben betaald voor vaten met ballen. In Holland en Brabant gemaakte ballen kwamen zo in Schotland terecht, terwijl bij ons colven uit Schotland werden gebruikt. Colven van palmhout, 'drij vingers breed, één vinger dik, met loot er in', dichtte J. Six van Chandelier (1620-1695), die 'Schotse klieken' werden genoemd.
Een klik, of kliek (vgl. cleek) is een houten stok van ongeveer één meter met aan het eind een metalen kromming. De naam klik zou het geluid aangeven, dat deze stokken met metalen slof bij het gebruik maakten, en dat is dus een zo genaamde klanknabootsing of onomatopee. Kliek en klak zijn klinkervariaties daarop (Fr. cliquer, klikken en claquer, klappen). Om verwarring te voorkomen kan de benaming kliek beter behouden blijven voor het verderop besproken kolfspel, waar kolfstok en kliek synoniemen werden. Voor het colven blijft in dit verband sprake van een colfstok of colf.

Gouden Eeuw

De Gouden Eeuw, vanaf pakweg 1602 (waarin de VOC werd opgericht) tot 1672 (het welbekende 'Rampjaar') werd de bloeitijd van het colfspel in onze Republiek. Het colfspel werd zo populair, dat colfspelers op talrijke voorwerpen zoals tabaks- en snuifdozen, speelkaarten, e.d. werden afgebeeld. (Helaas hebben wij voor deze webtentoonstelling hier geen voorbeelden van teruggevonden.) Ook op veel tegels werden zij vereeuwigd. Colf en kliek werden zelfs familienamen en drongen door tot in de heraldiek. Soms werd per abuis echter de colf als kromstaf weergegeven.

Het is in deze tijd dat de colfstokken met een fraai omwikkeld handvat verpersoonlijkt werden. Iedere colfspeler had zijn eigen stok, die hij onder meer kon herkennen aan het gekleurde windsel en aan merktekens of versieringen die waren aangebracht op de bolle zijde van de slof. Uit de plaats van het vlakke slaggedeelte van de slof is af te leiden dat er linkshandige kolfstokken bestonden; daarnaast waren er kleinere voor kinderen.

Kolven buiten Nederland

Colf en Kolf buiten Nederland
Nederlanders namen in het verleden veel van hun eigen gewoonten mee bij vertrek naar het buitenland. Zo ook het colfspel en het kolfspel. Hieronder enkele plaatsen waar gecolfd is of waar kolfbanen waren. In de cursief weergegeven landen is het spel waarschijnlijk gespeeld, maar nog niet bewezen.

Europa
België, Brussel
Het oudst bekende verbod op het spelen van colf vinden we in een ordonnantie in Brussel uit 1360, waarin staat: “Wie met colven tsolt, es om twintich scellinge oft op hare overste cleet”. Hiermee is duidelijk dat diegene die colft, een boete zal moeten betalen of zijn jas verliezen.

Engeland, Londen
• Johannes Vollenhove beschrijft in zijn dag- en reisboek (op blz. 36 en 37 ) in 1674 enkele tuinen in Engeland. St. James's Park was na de troonsbestijging van Charles II in 1660, voor diens rekening, van een Tudortuin herschapen in een tuin naar eigentijds Europees, Frans model. Vollenhove beschreef het park zeer globaal en onderscheidde drie gedeelten:
1. de rijen, voor een deel jonge bomen.
2. de centraal gesitueerde vijver met eenden en andere vogels.
3. het herten- en hindenkamp achteraan.
Het park was omgeven door prachtige huizen van vooraanstaanden en een druk begane kolfbaan.
• De Londense Pall Mall is genoemd naar het spel pallemaile, een Franse naam voor het Nederlandse maliespel, verwant aan ons colfspel.

Italië
Karel van Mander klaagt in zijn Schilderboeck dat veel Italiaanse schilders hun tijd vermorsen met ‘rincketten en colven’, in het bijzonder Caravaggio (1560-1610), die met het ‘Rapier op ’t Sijde van d’ een Kaetsbaan in d’ander loopt’. Hiermee doelt hij duidelijk op meer verderfelijks dat op die banen plaatsvindt dan alleen een partijtje tennis of colf.

Groenland, 5 november 1633
• Jacob Segersz van der Brugge, Journael, of dagh-register, gehouden by seven matroosen, in haer overwinteren op Spitsbergen in Maurits-bay, gelegen in Groenlandt: Den 5. dito, de windt N.O. met klare lucht; op dato bevonden wy noch 4. of 5. uren schemeringh van den dagh; wy maekten
houte klicken, daer wy mede kolfden op de Bahy voor ons Tent, tot exercitie.

Rusland, Moskou en St. Petersburg
Geen gegevens bekend. Wel is in de toelichting op dit tijdvak 1450-1700 onder 'Colf & Kolf in de Nieuwe Tijd' een prent opgenomen met de titel 'Kolven door den beughel'. Deze prent zou haar osprong vinden in de omgeving van de Nederlandse ambassade te Moskou.

Rusland, Nova Zembla, 3 april 1597
Nasporingen hier hebben natuurlijk geen zin. Gerrit de Veer, Waerachtighe beschryvinghe van drie seylagien, ter werelt noyt soo vreemt ghehoort, p. 40r

Afrika
Zuid-Afrika, Kaapstad, vanaf ca. 1806
• Petrus Borchardius Borcherds beschrijft in zijn boek Bladen uit de memoires van Petrus Borchardus borcherds een kolfbaan (op pagina’s 159 en 194): 'In de Gouvernementstuin was een priëel van eikeboomen ongeveer honderd voet lang en dertig breed, bedekt met en beschaduwd door bladeren en takken, dat bekend stond als de 'kolfbaan'. Daar waren verscheidene zitplaatsen beschikbaar en de families, die er gebruik van maakten…' (Bron: http://www.archive.org/stream/bladenuitdememo00borcgoog#page/n207/mode/2up).
N.B.,
Ook in het boek 'Gardens of South Africa' van Dorothea Fairbridge wordt deze kolfbaan beschreven en wel op pagina 8.
• Hendrik Anthony Lodewijk Hamelberg schrijft (in zijn boek 'Die dagboek van H.A.L.Hamelberg 1855-1871' op pagina 52): 'In den zeer groten tuin, waarin beide gebouwen staan, is eene kolfbaan en eene kegelbaan. Vreemdelingen hebben tot den tuin en het sociëteitsgebouw toegang. . .'.
• Op 4 februari 2013 is de zogenoemde Machtenburgbeker geveild (tijdens de veiling door Strauss & Kie. Zie voor meer informatie het album Spelmateriaal in het tijdvak 1700-1885). Deze zilveren beker is in 1830 vervaardigd als kolftrofee.
Onderzoek in de lijsten met nalatenschappen tussen 1730 en 1845 leverde verscheidene erfenissen op met kolfstokken en kolfballen in de boedel. Helaas is geen afbeelding bekend van de kolfbaan in de Gouvernementstuin (dr. Stewart Harris, Volksboukundige Vereniging van Suis Afrika, juni 2008).

Azië
Ceylon (Sri Lanka)
De VOC had van 1651 tot 1796 een handelspost in Colombo. Uit de archieven van deze post kan worden afgeleid dat vertegenwoordigers van de VOC op Ceylon colf speelden. Bron: Serendipity on Early Golf van Robin Bargmann, pagina 9. ISBN 978-90-816364-1-4

China, Macao (destijds Portugees), 17e eeuw
In het boek ‘Reisen van Nicolaus de Graaff gedaan naar alle gewesten des Werelds, tussen 1639 en 1678’, wordt beschreven dat men zich o.a. met colven vermaakte.
"Ingang in de stad Macao werd ons geweigerd, de kooplieden van Kanton komen bij ons langs. In de tussentijd vermaakten wij ons op de eilanden van Macao met jagen, vissen, kaatsen en colven" (1684?).
"Ondertussen was er geregeld dat wij met onze schepen naar Kanton mochten komen, maar dit werd door ons verworpen en wij bleven in de Baai van Maselgam leggen. Een van de volgende dagen voeren wij met drie sloepen naar het Papen- of Groen Eiland, alwaar zich een vermakelijke tuin en Jesuiten klooster, kegel- en klosbaan bevond, waar wij ons enkele uren hebben vermaakt."

Formosa (Taiwan)
Nog geen gegevens bekend

Indonesië, Batavia (thans Jakarta), vanaf 1766
• A. Breuning schrijft in zijn boek 'Het voormalige Batavia' (op pag. 110): De oprichting van het sociëteitsgebouw de Harmonie op de hoek van de Rijswijkstraat en Rijswijk, waarvoor stenen werden gebruikt van de slechte stadswallen. Reeds in 1766 repte Reinier de Klerk over de oprichting ener sociëteit, misschien dezelfde als de in 1803 vermeldde Harmonie, welke was gevestigd aan de oostzijde van de Buiten Nieuwpoortstraat met groot achtererf, waar een tuin en kolfbaan waren. Het gebouw uit 1810 is in 1985 gesloopt.
• Frederik de Haan schrijft in zijn gedenkboek 'Oud Batavia' uit 1922 'Hier en daar vond men eene kegel- of eene kolfbaan, de laatste voor ons nationale golfspel, dat een zeer kalm en ietwat zouteloos karakter droeg; men kon er zijne pijp bij rooken' (deel II, pagina 26) en '' Zelfs van ringsteken is een spoor te ontdekken en aan kolven is altijd gedaan, maar dat kon enkel in de herberg' deel II, pagina 228).

Japan, Dejima
Geen gegevens bekend. Op de plattegrond van Dejima is geen kolfbaan terug te vinden en het oppervlak is te gering om een lange baan-spel als colf te spelen, zodat het zeer onzeker is dat hier ooit gecolfd of gekolfd is.

Tasmanië, Nieuw Zeeland
Nog geen gegevens bekend

Noord-Amerika
Verenigde Staten, Albany, 1650
Nederlandse kolonisten hebben het spel meegenomen naar de ‘Kleine Banck van Justitie voor Fort Orange en het dorp Beverwijck’, thans Albany, de hoofdstad van de staat New York.
In de 17e eeuw groeide Beverwijck in Nieuw-Nederland uit tot een levendige gemeenschap en in hun vrije tijd speelden de inwoners colf in de straten. De sport moest daar, evenals zo vaak in Nederland, verboden worden. In 1650 werden drie mannen met een Nederlandse naam bekeurd omdat zij tijdens biddag aan het kolven waren.

Verenigde Staten, Charleston, voor 1788
In 'The Charleston City Gazette and Daily Advertisor' van 18 september 1788 wordt een kolfbaan te koop aangeboden: 'There is lately erected that pleasing and genteel amusement, the KOLF BAAN. Any person wishing to treat for the same at private sale, will please apply to Mr David Denoon , in Charleston, or to the subscribed on the spot. Henry Welsh'. De naam 'Denoon' is mogelijk van Nederlandse origine en afgeleid van De Nuun (vergl. Van Nunen). Bron: 'Serendipity of Early Golf' door Robin Bargmann, pag. 148.

Zuid-Amerika
Suriname, Fort Groningen, vanaf 1754
• De post Groningen was een hoofdpost van het militair cordon. Mr. A. F. Lammens bezocht de post in 1818 en beschreef deze als volgt: '...Op de westelijken oever van de Saramaka agt a negen uren van zee, is de Fortres Groningen... De post Groningen, ligt op de boord van de rivier, is ten zuiden door een muur van zandsteen omringd, en voor het oog de fraaijste post in de Kolonie, het Komandantshuis en alle de gebouwen, waren in de besten staat. - zo zindelijk onderhouden, dat de hollandse netheid overal zichtbaar was. - twee verre gezigten. - een over het Etablissement Voorzorg, door het huis van den Kommandant en de poort van het fort. - een in het bosch, regt over het kommandantshuis, waren zeer fraaij. - men had bij een bron van het helderste water, twee badhuizen gemaakt, voor de officieren, en voor de bezetting. er was een Kolfbaan tot vermaak en tijdkorting voor het guarnizoen. De staat, waar alles zich in bevind, deed eer aan de Kommandant, ook zagen de Jagers er zeer welvarend uit en schenen zeer vergenoegd...'.
De fortress Groningen is in 1790 aangelegd.
• Het militaire hospitaalcomplex in Paramaribo, ontworpen door Johan Hendrik Rothe in 1793, had grote tuinen en een kolfbaan. Nu ’s Lands Hospitaal geheten.
• In het boek 'Geschiedenis van Suriname' door J. Wolbers wordt geschreven over een ruzie in de kolfbaan van Paul Noortman. In een proces dat hierop volgde werd in 1754 iemand veroordeeld.

Nederlandse Antillen, Curaçao
In de krant Amigoei di Curaçao wordt op 5 maart 1932 verteld over een kolfbaan bij een tapperij op een terrein met de naam Altena. Zie de rubriek Historische kranten op de website van de Koninklijke Bibliotheek.

Bron: Dirk Spijker, Do Smit

N.B.:
Een aardige bijzonderheid is de belangstelling die Stadt Aurich uit Ostfriesland (Duitsland) in 1983 toonde voor het kolfspel. In dat jaar is bij de Kolfbond geïnformeerd naar de technische eisen die aan de bouw van een kolfbaan gesteld moeten worden. De bouw is vermoedelijk nooit gerealiseerd, maar toch...

Bron: archief Annette Klinkert