KNKB Webmuseum
Click for large image

Merlijn_01.jpg

Anno 1261 ...mit ener koluen... - oudst bekende vermelding van het colfspel

'Photo-Lithografie' uit 1880 van het eerste tekstblad van Jacob van Maerlants Boeck Merlijn, naar het eenig bekende Steinforter Handschrift. Deze zeldzame 'foto-litho' is gemaakt door fotograaf en lithograaf Van Emrik en Binger uit Haarlem en maakt deel uit van het boek van J. van Vloten uit 1880 met daarin de wetenschappelijke transcriptie van het manuscript. Particulier bezit, 16,5 x 25,5 cm.

Het Boeck Merlijn beslaat in totaal 36.219 versregels. Alleen de eerste 10.408 zijn van de hand van Jacob van Maerlant, de resterende 25.811 zijn van zijn leerling Lodewijk van Velthem.

Het enig overgeleverde afschrift van het Boeck Merlijn, het zogenoemde Steinforter handschrift, dateert uit 1326 en is overgeschreven in een soort Platduits (Van Vloten: 'brabbel-Duits') van het oorspronkelijke Middelnederlandse manuscript van Jacob van Maerlant uit 1261. De Platduitse versie bevindt zich in de Fürst zu Bentheimsche Schloss Bibliothek te Burgsteinfurt (inv. B37).
Het Steinforter handschrift is in twee kolommen geschreven op 227 bladen papier met een bladspiegel tussen 289x205 mm en 205x150 mm. Het handschrift begint met een opengewerkte rode initiaal en is gebonden in een kalfsleren band op eiken borden. Van de twee aanwezige koperen sloten ontbreken de sluithaken.
Literatuur
Middelnederlandse handschriften uit Europese en Amerikaanse bibliotheken door J. Deschamps. 2e druk, E.J. Brill, Leiden, 1972

In het derde boek van Jacob van Maerlants Boeck Merlijn vinden we in de Platduitse versie uit 1326 de versregels (editie Sodmann):

Dat ze to enen dorpe quamen
Dar liepen harde vele kinder
4615
In enen mersche meere vnde mynder
Vnde slogen dar eynen bal
Merlijn de dit wiste al
Sach de boden want he was daer
Vnde he trat een deel dar naer
4620
Vnde gaff den rikesten enen slach
Van den dorpe dat he lach
Mit ener koluen vor zine schene
Omb dat ene schelden zolde de gene
Dat kint weende vnde sprack to merlijne wart
4625
Onreyne vaderloze bastert

Het woord 'koluen' in versregel 4622 moet natuurlijk gelezen worden als 'kolven'.
(Tekstbezorging door Ludo Jongen, universitair docent Middelnederlandse letterkunde te Leiden, en Paul van Pottelberghe.)

In 1880 publiceerde dr. Johannes van Vloten een 'vernederlandste' versie van dit manuscript, waarbij hij op gedegen wetenschappelijke gronden de oorspronkelijke eerste versie in het Middelnederlands uit 1261 van Jacob van Maerlant reconstrueerde. Hier is dezelfde passage als volgt verwoord (hoofdstuk XV volgens Van Vloten, het 'derde boeck' volgens het handschrift):

Dat zi tenen dorpe quamen,
Daer liepen herde vele kinder
In enen mersche, meer ende minder,
4935
Ende slogen daer enen bal.
Merlijn die dit wiste al,
Sach die boden, want hi was daer,
Ende hi trat een deel daer naêr,
Ende gaf den rikesten enen slach
4940
Van den dorpe, dat hi lach,
Met ener kolven vor sine scene,
Omdatten scelden zoude degene.
Dat kint (weende ende) sprack te Merlijne waert:
"Onreine, vaderloze bastaert"

Het betreft hier dus de wetenschappelijke en door Van Vloten teruggetaalde transcriptie van het platduitse (Van Vloten: 'brabbel-Duitse') Steinforter handschrift. Vrij vertaald in hedendaags Nederlands staat daar:

Ze (= de boodschappers) kwamen uiteindelijk bij een dorp, waar een stel kinderen op een weiland met een bal speelde. Merlijn was daarbij en zag de boodschappers aankomen. Hij ging hun kant op en sloeg het rijkste kind van het dorp met zijn colf tegen de schenen, opdat de jongen hem zou uitschelden. Het kind brulde tegen Merlijn: 'Vuile, vaderloze bastaard!'.
(Bron: enigszins aangepaste bewerking van de tekst uit Merlijn, de tovenaar van koning Arthur. Blad 29. Atheneum-Polak & Van Gennip, 2004)

Merlijn had zo zijn redenen, die overigens niets met het spel te maken hebben.

Boeck Merlijn - de grote lijn
Merlijn is een figuur die door de duivels is bedacht om de mensheid, die sinds de stichting van de katholieke kerk voor de hel verloren dreigt te gaan, in het verderf te storten. Door incubatie verwekt één van de duives bij een maagd een zoon (vergelijk de incubatie van Maria). De als tegenhanger van Christus bedoelde Merlijn voldoet echter niet aan de verwachtingen. De vroomheid van zijn moeder brengt hem ertoe zijn buitengewone gaven alleen ten bate van de mensheid aan te wenden. Hij voorspelt dat in de strijd tussen koning Vergetier en de wettige erfgenamen van zijn voorganger, Uter en Pendragoen, beide laatsten zullen overwinnen. Dit gebeurt. Als Pendragon sneuvelt in de strijd tegen de Saksen, voegt Uter de naam van zijn broeder bij de zijne. Merlijn staat dan Uter-Pendragoen met raad en daad bij: hij richt voor de koning een tafelronde op, en is hem behulpzaam in zijn overspelige liefde voor Ygerne, bij wie Uter Arthur verwekt. Na de dood van Ygernes man huwt Uter haar. Het gedicht eindigt met de erkenning en kroning van Arthur als koning.
(Bron: Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde van dr. G.P.M. Knuvelder, 1976, blad 148).

Wat aan het onderhavige colf fragment voorafgaat
Eerste en tweede boek
De duivels zijn afgunstig omdat God de hel openbrak en zijn vrienden daaruit verloste. Bovendien heeft God de wereld zó ingericht dat weinig mensen tot het kwaad kunnen worden overgehaald: er zijn priesters, er is de doop. De duivels besluiten te gaan klagen bij God de Zoon en kiezen de listige Maskeroen als hun pleitbezorger. De mensheid wordt gedagvaard op Goede Vrijdag en dreigt bij verstek veroordeeld te worden. Dan werpt Maria zich op als pleitbezorger voor de mensen. Maskeroen probeert haar uit te sluiten van deelname aan het proces omdat zij een vrouw is, maar dat mislukt. Dan komt Maskeroen met zijn pleidooi. Als Maria al zijn argumenten (zoals de Erfzonde) weet te weerleggen en een emotioneel beroep op de Rechter, die toch ook haar Zoon is, niet blijkt te schuwen, gooit Maskeroen het over een andere boeg: hij schakelt allegorische figuren als hulptroepen in. Tegenover Maskeroen's helpsters Gerechtigheid en Waarheid stelt Maria Barmhartigheid en Vrede. Na een soort juridisch steekspel op basis van religieuze argumenten wint Maria het pleidooi.
Maskeroen trekt zich terug in de hel en de duivels bedenken hoe zij een man met duivelse vermogens op de wereld kunnen zetten, die zich als pleitbezorger van de duivels onder de mensen zou kunnen begeven om Gods schepsels voor de hel te herwinnen. Een duivel neemt de gedaante aan van een man en bezit een jong meisje, nadat hij er voor gezorgd heeft dat haar ouders zelfmoord plegen, haar broer gedood en haar jongste zus terechtgesteld is en haar middelste zus zich als een hoer gedraagt. Het meisje wordt bijgestaan door haar biechtvader Blasius, die haar waarschuwt nooit met een boze bui te gaan slapen en steeds een kruisteken te slaan bij het slapengaan en ontwaken. Twee jaar lang krijgt de duivel geen greep op haar vroomheid. Dan keert haar in zonden vervallen zuster terug en wordt zij bij een grote ruzie uitgescholden en geslagen. Woedend trekt zij zich terug op haar kamer en vergeet het kruisteken. In haar slaap verwekt de duivel bij haar een kind. Bij het ontwaken realiseert het meisje zich wat er gebeurd is, maar kan geen ‘dader’ vinden. De deur van haar kamer is nog op slot en zij trekt de conclusie dat de duivel zelf bij haar geslapen heeft.Het jonge meisje gaat naar haar biechtvader, vertelt dat zij gemeenschap heeft gehad met de duivel nadat zij tengevolge van een ruzie met haar zus vergeten was bij het slapengaan een kruisteken te maken. De biechtvader legt haar een zware boetedoening op, die zij getrouw navolgt. De duivel ziet dat hierdoor zijn plan teniet wordt gedaan. Zodra het gerucht van haar zwangerschap de rechter ter ore komt, laat hij het meisje gevangennemen. Zij wordt van een vaderloze zwangerschap beschuldigd door de mensen uit haar omgeving, maar haar biechtvader weet een veroordeling op te schorten totdat het meisje bevallen is en haar kind zelfstandig kan eten, omdat haar kind de dood niet verdiend heeft. Na de geboorte wordt het kind Merlijn gedoopt, naar de grootvader. Een lelijker en voorlijker kind dan Merlijn hadden de mensen nog nooit gezien en zij meenden dat hij de duivel zelf was. Het kind weet door zijn kennis van toekomst en verleden zijn moeder vrij te pleiten. Hij toont aan dat de rechter evenmin weet wie zijn vader is en dat diens moeder even schuldig is als die van Merlijn. Ook voorspelt hij dat de vader van de rechter door de duivel zal worden aangezet zich te verdrinken zodra hij hoort wat Merlijn onthuld heeft. De zelfmoord van de priester, de echte vader van de rechter, bevestigt Merlijns woorden. Met zijn vrijgelaten moeder gaat Merlijn naar haar biechtvader Blasius. Merlijn overtuigt Blasius van zijn duivelse afkomst en vraagt hem het verhaal op papier te zetten. Blasius voldoet aan die wens, vertrekt naar het gezelschap van de Graal (= schotel waarin het bloed van Jezus is opgevangen) en voegt zijn boek bij het boek, dat in dat gezelschap bekend is.

Derde boek
Koning Constans, die al lang in Brittannië aan de macht was, was oud en overleed. Hij wordt opgevolgd door zijn oudste zoon Moynes, die vanwege zijn jonge leeftijd wordt bijgestaan door de regent Vortigern, een trotse, fiere ridder uit het land van Constans. Vortigern forceert een gewapend treffen met de heidense Saksen, waarin de nieuwe koning Moynes door onervarenheid zware verliezen leidt. Het volk mort en wil Vortigern als nieuwe leider. Vortigern wil alleen de macht overnemen als de jonge koning Moynes dood is. Moynes wordt vermoord, Vortigern wendt voor boos te zijn vanwege deze misdaad en wijst de moordenaars de deur. Vortigern wordt tot koning gekozen, maar de verzorgers van twee jongere broers van Moynes, Uter en Pandragoen, beklagen zich om de listen van Vortigern en vrezen dat Vortigern ook te gelegener tijd deze broers zal laten ombrengen. Zij vluchten met deze twee broers naar het continent om ze aldaar op te voeden. Vortigern laat de mannen die Moynes vermoordden terechtstellen, waarna hun verwanten in opstand komen. Vortigern moet steun zoeken bij de Saksen, trouwt met de dochter van hun koning Hengist en begint, uit angst dat ook Uter en Pandragoen hem zullen komen aanvallen, met de bouw van een machtige toren. Omdat het bouwwerk steeds instort, raadpleegt hij wijze mannen. Zij leggen hem uit dat de toren alleen overeind zal blijven als het bloed van een vaderloos kind door de specie wordt gemengd. Vortigern stuurt zijn boodschappers uit om dat kind te zoeken.
De boodschappers reisden twee aan twee naar vreemde landen, waarbij een van die tweetallen een ander duo tegenkomt en zij met z’n vieren verder trokken.

En dan volgt hier de passage uit de aangehaalde versregels hierboven:
"Dit viertal kwam uiteindelijk bij een dorp, waar een stel kinderen op een weiland met een bal speelden. Merlijn, die met de kinderen meespeelde, zag de boodschappers aankomen. Hij liep de boodschappers tegemoet en sloeg het rijkste kind van het dorp met zijn colfstok tegen de schenen, opdat deze hem zou uitschelden. Het kind brulde tegen Merlijn: ‘Vuile, vaderloze bastaard’".

De boodschappers begrepen dat Merlijn het gezochte vaderloze kind was en vroegen aan het rijkste jongetje van het dorp wat hij bedoelde. Hij legde uit: ‘Dit is de zoon van een vrouw die niet weet wie hem bij haar verwekte’, waarop Merlijn tegen de boodschappers zei: ‘Ik ben degene die u zoekt’.

(Bron: Samenvatting uit Merlijn, de tovenaar van koning Arthur. Blad 9 tot en met 29. Atheneum-Polak & Van Gennip, 2004)

Een verdere uitwijding van dit verhaal valt buiten het kader van deze herdenkingssite. Degenen die willen weten hoe dit spannende verhaal verder afloopt kunnen verder lezen in een van de vele eigentijdse boekuitgaven die over Merlijn bestaan.

Literatuur
- Jacob van Maerlants Merlijn, naar het eenig bekende Steinforter handschrift door J. van Vloten. E.J. Brill, 1880.
- Merlijn, de tovenaar van koning Arthur. Keuze, tekstbezorging en vertaling door Frank Brandsma. Atheneum - Polak & Van Gennip, 2004.